vrijdag 18 februari 2011

100 dagen Dante (41): Zielen zonder vaste verblijfplaats

Dante en Vergilius bevinden zich nog steeds bij Sordello. Tijdens Dante's tirade hebben ze zich nog niet nader aan elkaar voorgesteld, door hun taal weten ze alleen dat ze stadgenoten uit Padua zijn. Als blijkt dat het Vergilius is, wordt Sordello van bewondering nederig en omvat hij Vergilius om de knieën - daarmee verwijzend naar een gebruik in de Oudheid, waarmee degene zijn onderdanigheid aangeeft. Sordello steekt uitgebreid de loftrompet ("O roem van de Latijnen...") over de verdiensten van Vergilius voor de taal en dichtkunst van Italië.

Vergilius legt vervolgens uit hoe ze hier bij de Louteringsberg zijn aangekomen, en ook waarom hij zelf in de limbus van de hel geplaatst is: niet door iets te doen, maar door iets niet te doen, namelijk niet het juiste geloof te hebben. Vergilius overleed namelijk vóór de komst van Christus en kon dus per definitie geen christen zijn. Gelukkig worden - zo wordt nog maar eens expliciet uitgelegd - de zielen aldaar niet gepijnigd, behalve dan dat ze eeuwig in duisternis leven en nooit Gods heerlijkheid zullen aanschouwen.
Daar toef ik bij de schuldeloze kleinen,
al door de tanden van de dood gebeten
eer Adams vloek van hen werd weggenomen.
Met Adams vloek wordt verwezen naar de erfzonde die elke mens sinds het zondige eten van de appel door Adam en Eva. Vergilius heeft geen kennis kunnen / mogen maken met de drie hogere deugde: geloof, hoop en liefde.

Sordello zegt toe dat hij Dante en Vergilius zover mogelijk zal begeleiden naar de eigenlijke ingang van de Louteringsberg. Hij mag immers, als alle zielen in deze afdeling, zich vrijelijk bewegen
Omdat de duisternis invalt, kunnen de reizigers op dit moment niet verder de Louteringsberg beklimmen. Sordello neemt hen mee naar een dal waarin de zielen van nalatige vorsten zich bevinden: zij zijn wat aan de late kant tot inkeer gekomen. Vriend en vijand zit daar min harmonieus bij elkaar, het Salve Regina zingend. Onder hen bevinden zich vorsten als keizer Rudolf (die nog de situatie in Italië had kunnen redden maar dat heeft nagelaten), koning Ottokar II van Bohemen, Philips III van Frankrijk (1270-1285), Philips IV "de Schone" (1285-1314). De laatste zou naar de zin van Dante te zeer op de hand van de pausen zijn. Het aardige is ook weer hier dat Dante zelf in zijn tekst vooral omschrijvingen geeft: van fysieke kenmerken ("mopsneus", "arendsneus") tot wat ze ten goede dan wel ten kwade tijdens hun leven gedaan of nagelaten hebben. Daarmee wordt het een aardige puzzel, die zonder ondersteuning van een deskundig commentaar (of uitvoerige kennis van de middeleeuwse dynastieke geschiedenis in Europa) niet meer helemaal te begrijpen is.

Veel makkelijker te genieten is de omschrijving van het dal waarin men zich bevindt:


Oro e argento fine, cocco e biacca,
indaco, legno lucido e sereno,
fresco smeraldo in l'ora che si fiacca,
da l'erba e da li fior, dentr' a quel seno
posti, ciascun saria di color vinto,
come dal suo maggiore è vinto il meno.
Non avea pur natura ivi dipinto,
ma di soavità di mille odori
vi facea uno incognito e indistinto.
(Purgatorio VII, 73-81)


Het zuiverste goud en zilver, karmijn en loodwit, Indisch hout en hemels azuur, pas gedolven smaragd op het moment dat het wordt gekloven, al deze dingen zouden in kleurenpracht worden overtroffen door het gras en de bloemen die zich daar in die kleine vallei bevonden, zoals het mindere nu eenmaal moet onderdoen voor het meerdere. En niet alleen had de natuur daar haar kleurenpracht tentoongespreid, maar ook mengde zij er duizend bloemengeuren dooreen tot één welriekend geheel, waarin de afzonderlijke elementen niet meer van elkaar te onderscheiden waren.
(Vertaling: Frans van Dooren)

De uitgebreidheid van de vertaling, die overigens geheel correct is en zeker verhelderend, toont maar weer tegelijk hoe kernachtig de verzen en taal van Dante zijn!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen