zondag 13 februari 2011

100 dagen Dante (40): De tuin van het keizerrijk is een wildernis geworden


Met enige moeite weten Dante en Vergilius zich los te maken van de menigte zielen. Het zijn zielen van mensen die op gewelddadige manier dood zijn gegaan, maar wel op het laatste moment berouw hadden. Elk probeert voor zich gebeden af te smeken. Bijna vanzelfsprekend zijn het vooral eigentijdse Italianen uit eind 13e / begin 14e eeuw. Met grote bewondering spreekt Dante ook over Marzucco, van wie de zoon zich hier bevindt: hij vergaf moordenaar van zijn zoon en stelde daarmee een sterk voorbeeld van vergevingsgezindheid, iets wat Italië meer zou kunnen gebruiken – niet voor niets volgt verderop in canto vi een tirade tegen het verdeelde Italië.

Aan de menigte ontkomen stelt Dante aan Vergilius (“O licht van mijn geest” – o luce mia) de vraag hoe een passage uit diens eigen werk, waarin letterlijk gezegd wordt dat door gebeden de besluiten van goden niet veranderd worden, zich verhoudt tot de hoop van deze zielen op verkorting van hun tijdelijke verblijf in het vagevuur. Dante probeert hiermee in feite zijn bewondering voor de heidense klassieken (i.c. Vergilius) te verzoenen met het christendom – een typisch kenmerk van de eerste humanisten (enkele decennia later) aan het begin van de Renaissance. Vergilius antwoordt met een wat omslachtig antwoord, namelijk dat beide waar zijn, dat de gloed van de liefde (van waaruit het gebed komt) de opperste gerechtigheid niet kleiner maakt.

De passage uit de Aeneïs, waarnaar Dante verwees, moet hij zien als in een heidense context: de gebeden konden toen nog niet naar God opstijgen. En verder moet hij zich niet te lang met dit diepzinnige vraagstuk bezighouden, straks als hij bovenop de Louteringsberg het licht van Beatrice zal aanschouwen, dan zal vanzelf alles duidelijk worden. Met andere woorden: het verstand kan daar niet bij, bij dit soort ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, daarvoor is het licht van het geloof nodig. Voor ons klinkt dat een beetje als een dooddoener, waarmee we moeilijk genoegen kunnen nemen. Misschien gold dat ook wel voor middeleeuwers, aangezien Dante de behoefte heeft dit expliciet uit te leggen en mogelijk ook wel inziet dat dit op het oog onlogisch klinkt.

Als ze verder trekken, stuiten Dante en Vergilius op de troubadour Sordello, net als Vergilius afkomstig uit Mantua. Een trotse ziel, die blij verrukt is als blijkt dat hij met een stadgenoot van doen heeft. Ze omhelzen elkaar, wat Dante opvalt (als uitzondering), waarna hij een lange tirade houdt over de onenigheid in Italië (“herberg van ellende, schip zonder stuurman ten prooi aan woeste stormen” – di dolore ostello, / nave sanza nocchiere in gran tempesta) tussen de steden, maar ook binnen de steden. In plaats van – zoals destijds tijdens het Romeinse Rijk – meesteres over de volkeren te zijn, is ze een schaamteloze hoer (bordello). 
De burgers zijn voortdurend met elkaar in oorlog, de poging van keizer Justinianus uit de 6e eeuw om recht en orde te brengen, met de beroemde codificatie van het recht, is voor niets geweest. Ook verwijt hij de Duitse keizer van het Heilige Roomse Rijk, Albert, dat hij zich teveel met de Duitse gebieden bemoeid heeft (uit hebzucht, zegt Dante), waardoor “de tuin van het keizerrijk [Dante bedoelt Italië] een wildernis is geworden” – che 'l giardin de lo 'mpero sia diserto. En het ergst van al is wel Florence, dat door Dante vol ironie over de hekel wordt gehaald: zo rijk en verstandig, waar elders burgers zich drukken voor bestuursverantwoordelijkheid, staat in deze stad iedereen vooraan, nog knapper dan het antieke Athene en Sparta is Florence in staat gebleken in korte tijd wetten af te schaffen die het een maand eerder heeft ingesteld. Bevolkingsgroepen uit de andere politieke facties worden beurtelings verbannen en weer binnengehaald.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen