donderdag 10 februari 2011

100 dagen Dante (39): Als allerlaatste zucht de naam Maria


De zielen van de nalatigen uit canto iv, die Dante en Vergilius met het verdertrekken achter zich laten, wijzen hen na en eentje schreeuwt over het feit dat Dante’s lichaam schaduw produceert. Dit leidt Dante af en hij blijft even staan, wat hem op een morele tirade komt te staan van Vergilius:

che ti fa ciò che quivi si pispiglia?
Vien dietro a me, e lascia dir le genti:
sta come torre ferma, che non crolla
già mai la cima per soffiar di venti;
ché sempre l'omo in cui pensier rampolla
sovra pensier, da sé dilunga il segno,
perché la foga l'un de l'altro insolla».
(Purgatorio v, 11-18)

Wat deert het u, dat zij daarginds wat fluistren?
Treed in mijn spoor en laat de schimmen praten.
Sta vast zoals een toren staat, wiens spitse
niet beeft en trilt bij storm en onweersvlagen.
Steeds verder dwaalt de mens van zijn bedoeling,
als maar gedachten kiemen uit gedachten,
zodat ze elkanders kracht en vuur verstikken.
(Vertaling: Christinus Kops)

Wat anders kan hij dan zijn weg vervolgen, met het schaamrood op de kaken, de kleur “waardoor wij soms vergeving waardig worden”? Vergeving is een belangrijk woord in het rooms-katholieke geloof en ook in deze canto. De zielen die we ontmoeten (wederom nalatigen), hebben allemaal gezondigd in hun leven, zijn eigenlijk te laat met zich te richten tot God, maar desalniettemin kunnen ze hun schuld uitboeten, zodat hun vergeving deelachtig wordt. Een proces dat nog versneld kan worden, zoals we al zagen, door de gebeden van levenden voor hen. Ook de zielen die Dante en Vergilius hier ontmoeten, vragen hen om alsjeblieft hun nabestaanden over hun staat in te lichten zodat ze hen zullen gedenken.

Ook deze zielen, die het Miserere (psalm 50) aan het zingen waren, zijn hoogst verbaasd Dante’s schaduw te kunnen waarnemen, waardoor ze eerst aarzelen een tweetal vooruitstuurt om poolshoogte te nemen en vervolgens en masse zich storten op het reizende duo. Dante kent uit deze schare niemand persoonlijk, maar belooft hun wensen – voor zover mogelijk – te vervullen.

We ontmoeten Jacopo del Cassero, geboren in Fano: “tussen Karels rijk en Romagna”, oftewel tussen de grote streek Emilia Romagna en Zuid-Italië waar Karel van Anjou koning was. Als burgemeester van Bologna spande hij zich in voor de onafhankelijkheid van deze stad tegen de aanvallen van Azzo iii van Ferrara (uit de familie Esti). Deze Azzo vermoordt, zodra hij de kans krijgt, tijdens een achtervolging deze Jacopo.

Een tweede ziel die ze spreken, is Buonconte da Montefeltro, zoon van de graaf Guido da Montefeltro (een beroemd en edel geslacht uit Urbino). Hij klaagt erover door iedereen te zijn vergeten, inclusief zijn vrouw. Nadat hij was vermoord, is zijn lichaam nooit teruggevonden. Hij vertelt zelf dat dit komt doordat hij pas op het allerlaatste berouw kreeg en in zijn allerlaatste zucht Maria aanriep, hét katholieke symbool van de genade en vergeving, waardoor zijn ziel gered werd. Een engel en duivel twisten hierover, waarop de engel de ziel meekrijgt en de duivel het lichaam. Door mist en wolkbreuk te veroorzaken forceert de duivel een waterstroom die het lichaam van deze Montefeltro meevoert naar de monding van de Arno (de rivier die door Florence loopt, Dante noemt hem “koning onzer stromen” - lo fiume real).

Aardig is nog dat een theorie van Aristoteles voorbijkomt, waaruit diens invloed nog maar eens blijkt:

Ge weet hoe waterdamp zich in de lucht samenpakt om vervolgens, opgestegen tot een hoogte waar de kou er vat op krijgt, weer in neerslag te veranderen.
(Vertaling: Frans van Dooren)

Als laatste spreekt een zekere Pia Dante toe, een vrouw uit Siena die door haar echtgenoot, op beschuldiging van overspel, vermoord zou zijn. Denk ook aan mij, is haar smekende boodschap. Met andere woorden: zorg dat er ook voor mij wordt gebeden daar op aarde.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen