maandag 7 februari 2011

100 dagen Dante (38): Een bootje stroomafwaarts drijven

Nog onder de indruk van wat aan het einde van de vorige zang de ziel van Manfred vertelde over het verblijf op de louteringsberg en de kracht van het gebed, filosofeert Dante aan het begin van canto iv nog wat verder over het feit dat een ziel tijdelijk zó in beslag kan worden genomen door één specifieke kracht/vermogen (potenza) in zich, dat alle andere vermogens even op de achtergrond worden gedrongen. Hij weerspreekt daarmee de – door anderen gehuldigde – idee dat er meerdere zielen ins zouden huizen. Ook hier schuilt weer een stuk klassieke en middeleeuwse filosofie achter. De Italiaanse commentaren wijzen op de leer van één ziel die drie “faculteiten” of “vermogens” zou bezitten: vegetatieve, emotionele en intellectuele.

Maar goed, daardoor vliegt de tijd, ze zon is alweer 50 graden gestegen, er zijn dus ruim drie uren verstreken (1 uur = 15 graden). Dante en Vergilius horen schimmen roepen, als uit één mond: “Hier is het wat gij vraagt”. Dit leidt hen door een smalle opening over een steil pad, waar ze hadden en voeten, en verstand (!), moeten gebruiken om te kunnen klimmen. Beroemde voorbeelden van smalle steile paadjes worden genoemd, zoals dat om San Leo te bereiken, vlakbij Urbino en Rimini. Boven aangekomen op een steil oplopend plateau, van wel 45º, trekt Dante het niet helemaal meer en vraagt hij Vergilius om even te wachten. Maar onder aansporing van deze bereiken ze eindelijk een rand of richel van een omgang, waar ze even uitrusten.

Tot zijn verbazing ziet Dante, met zijn gezicht naar het oosten, de zon aan zijn linkerhand. Dat heeft te maken met het feit dat ze zich op het zuidelijk halfrond bevinden (“recht tegenover Jeruzalem”). Vergilius, het verstand, licht weer toe. Ook wordt nog naar Phaëton verwezen, die met de zonnewagen van zijn vader uit de baan schoot (waardoor de Afrika en zijn inwoners geblakerd werden – waardoor ze zwart zijn).

De nog te beklimmen berg is zo geschapen,

            dat we aan zijn voet het klimmen moeilijk achten,
            doch minder zwaar wanneer we hoger komen.
            Zohaast hij u dus lieflijker gaat schijnen
            en ’t klimmen voor uw voet zo licht zal wezen
            als ’t voor een bootje is om stroomaf te drijven,
            dan zijt ge ’t einde van uw weg genaderd,
            waar zoete rust uw wacht na ’t moeizaam zwoegen.
            (Vertaling: Christinus Kops)

Mooi beeld voor wat volgens enkele commentatoren door moet gaan als de allegorische aanduiding van de bekering, die in het begin het zwaarste is maar uiteindelijk een soort rusten is in zaligheid: als een bootje dat stroomafwaarts glijdt. De boodschap is dat iedereen daar deel van kan zijn.

De zielen die we hier tegenkomen zijn de “nalatigen” of “tragen”. Zij zijn eigenlijk te laat (vlak voor hun dood) tot bekering gekomen. Lekker makkelijk, zou je tegenwoordig zeggen. Maar ze komen er ook niet zomaar langs: Gods engel houdt ze aan de poort (van het eigenlijke vagevuur) zolang tegen als dat hun leven geduurd heeft.

Tot grote vreugde ontmoet Dante hier een bekende, de musicus en instrumentenbouwer Belacqua (letterlijk: “schoon, mooi water”). De dialoog tussen hen is wel redelijk komisch, want Dante herinnert zich diens fameuze luiheid: “Of heeft weer de oude kwaal uw ziel vermeesterd?” (o pur lo modo usato t'ha' ripriso?). Vergilius maant Dante om verder te gaan, het wordt immers laat zo.

Aardig is de toch mensvriendelijke gedachte achter de ideeën in deze canto. Ten eerste is er altijd hoop op redding, als je je maar bekeert. Ten tweede, mocht je je aan de late kant bekeren, dan is dat geen ramp, maar heb je wel nog wat uit te boeten, en daar bestaat als het ware een berekening of algoritme voor. Ten derde kun je (eerder) uit dit algoritme ontsnappen door gebeden die anderen op aarde voor je doen. Er zit systeem in dit geloof! Als westerse 21e-eeuwer is dat soms moeilijk te bevatten, maar verplaats je eens hierin, in deze wereld van ideeën waarvan destijds nog zo goed als niemand de fundamenten betwistte. Het heeft tegelijkertijd iets vertrouwds als duizelingwekkends. De ijskoude predestinatieleer, die het latere calvinisme kenmerkte, moest nog uitgevonden worden. Iedereen heeft een plaats onder de zon, als hij wil.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen