woensdag 2 februari 2011

100 dagen Dante (37): De beperkingen van het verstand

De eerste regels van Canto iii bieden al een interpretatieprobleem. Dante beschrijft hoe de zojuist uiteen gestoven zielen toch als vanzelf zich naar de berg begeven, geleid door het verstand (Kops) dan wel de goddelijke rechtvaardigheid (Van Dooren). In het Italiaans staat er ragion (tegenwoordig: ragione), letterlijk “rede, verstand”. Waarom kiest Van Dooren voor “Gods gerechtigheid”? Hij ondersteunt dit niet in een aantekening, dus zoeken we in de Italiaanse commentaren. Fallani/Zennaro zowel als Carlo Dragone vertalen ragion expliciet met la giustizia divina (de goddelijke gerechtigheid), de laatste licht dit toe in een voetnoot aan de hand van een voorbeeld: “Palazzo della Ragione” was het gebouw waar men recht haalde. (Hai ragione = je hebt gelijk, je hebt het bij het rechte end, in het Duits: du hast Recht). Hangt etymologisch dus mogelijk allemaal samen – maar ik ben geen deskundige op dat gebied.

Deze zang biedt overigens nog meer uitdagingen, de informatiedichtheid – met name met betrekking tot het middeleeuwse, Rooms-Katholieke wereldbeeld en de bijbehorende leer – is groot. Zo wordt ingegaan op het verschijnsel “onstoffelijk lichaam”: hier wordt ook ingegaan op het fenomeen dat de zielen geen schaduw hebben (omdat ze slechts geest zijn) maar wel kou, hitte en pijn kunnen voelen (wat zouden anders die folteringen in de hel voor zin hebben). Het antwoord is toch een beetje van het kluitje in het riet: “almacht Gods, die niet wil dat ons ontsluierd wordt hoe zij te werk gaat”.

Dwaas is hij die hoopt dat ons menselijk verstand (ragione!) de eindeloze weg kan doorlopen die wordt afgelegd door één wezen in drie personen (una sustanza in tre persone). O menselijke geslacht, wees toch tevreden met het dát (quia) en vraag niet het waarom! Want als uw geest alles had kunnen doorzien, had Maria Jezus niet ter wereld hoeven te brengen.
(Vertaling: Van Dooren)

Met andere woorden: de goddelijke openbaring via onder meer de geboorte van Christus zou dan overbodig zijn geweest als het menselijk verstand alles al had kunnen doorgronden. In één adem door wordt het mysterie van de heilige Drie-eenheid (één substantie maar drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Het quia is een term uit de middeleeuwse filosofie (die aan de universiteiten een rijke traditie kende en in de 11e-13e eeuw enorm in opbloei was). De middeleeuwse scholastiek onderscheidde de demonstratio quia (de bewijsvoering van het feit, dat…) en de demonstratio propter quid (het hoe en waarom). In dit geval. Van Dooren in voegt zijn vertaling het “vraag niet naar het waarom” ter verduidelijking toe (staat niet letterlijk in het origineel). Kops doet dat niet, maar vertaalt ook niet quia door “dát”, zodat je als lezer ziet waar het vandaan komt, en hij licht het vervolgens toe in de voetnoot.

Deze opmerkingen, die door Vergilius worden gemaakt, gaan ook nader in op de kwestie met de heidense filosofen: omdat zij de goddelijke openbaring niet kenden, erkenden of herkenden, bleven zij doorvragen en werd hun honger nooit gestild. In de opvatting van Dante zitten Plato en Aristoteles (het zal geen toeval zijn dat hij deze twee peilers van het middeleeuwse denken noemt) in het voorgeborchte van de hel en bestaat hun straf er dus feitelijk (slechts) uit dat zij voor eeuwig met deze niet te stillen honger naar kennis gekweld worden. Eigenlijk wel een mooie metafoor voor de opvatting dat je in je leven niet zou moeten blijven zoeken, maar je eenvoudigweg over te geven aan de goddelijke openbaring, los van wat je van die opvatting vindt.

Ook komen we nog ergens tegen de theorie dat de hemelsfeer uit 9 doorschijnende lagen bestaat, en net zoals die lagen het licht doorlaten en dus geen schaduw werpen, zo doen ook de zielen van gestorvenen dat niet.

Opvallend is dat Vergilius, die nogmaals nadrukkelijk als personificatie van het verstand wordt beschreven, het op een gegeven moment even niet meer weet. Ten eerste is hij aan het begin van canto iii vol zelfverwijt dat hij ook naar de heerlijke muziek was blijven luisteren, met andere woorden: het verstand verloor even zichzelf. Het is datzelfde verstand, diezelfde Vergilius die vervolgens Dante maant om vertrouwen te houden op zijn leiding en op de goddelijke voorzienigheid. Waarna vervolgens het hierboven genoemde pleidooi voor de betrekkelijkheid van het verstand wordt benadrukt. Als ze, tot slot, onderaan de rotsen staan, nog steiler dan die tussen Lerici en La Turbie (grofweg tussen Nice en Genua), die onbeklimbaar lijken, dan blijft Vergilius een tijd nadenken terwijl hij naar de grond staart – maar dit lijkt niets op te leveren. Dante kijkt echter rond en ontdekt zo een schare schimmen die hen mogelijk zou kunnen helpen. Hij gebruikt dus gewoon zijn ogen, wat onwennig vanuit middeleeuws wetenschappelijk perspectief. Moeten we hier een eerste aanzet tot empirisme (“kijk om je heen”) in lezen, omdat het rationalisme (“redeneer logisch, gebruik het verstand”) tekortschiet? Met de kennis van de latere ontwikkelingen in filosofie en wetenschap ben je geneigd dit met terugwerkende kracht hierin te projecteren, maar dat is waarschijnlijk toch al te anachronistisch.

Een van de schimmen die ze ontmoeten, blijkt koning Manfred van Napels en Sicilië, zoon van keizer Frederik ii. Naar eigen zeggen heeft hij in zijn leven genoeg zonden begaan, maar toen hij gewond raakte in de strijd en stervende was, bekeerde hij zich, waardoor zijn ziel gered werd en na uitboeting op de Louteringsberg uiteindelijk naar het paradijs mag, weer een mooi staaltje van aanschouwelijk maken van de katholieke leer:

Poscia ch'io ebbi rotta la persona
di due punte mortali, io mi rendei,
piangendo, a quei che volontier perdona.
Orribil furon li peccati miei;
ma la bontà infinita ha sì gran braccia,
che prende ciò che si rivolge a lei.
(Purgatorio iii, 118-123)

Toen ik geveld lag door twee felle slagen,
en sterven ging, gaf ik me in tranen over
aan Hem, die alle schuld liefst wil vergeven.
Mijn zonden waren groot en afschuwwekkend,
maar groter toch zijn de armen van Gods liefde,
daar ze allen die haar zoeken houdt omstrengeld
(Vertaling: Christinus Kops)

Manfred was namelijk op het moment van sterven geëxcommuniceerd, waardoor je doorgaans als ziel dan als verloren beschouwd kan worden, maar er restte altijd een sprankje hoop: de eeuwige liefde laat zich niet zomaar uitschakelen, dus je kon altijd nog tot inkeer komen. Dat is ook de toegevoegde waarde van de louteringsberg ten opzichte van de extremen hel en hemel.

Als je echter aldus sterft, buiten “de gemeenschap van de Kerk”, dan moet je ziel wachten onderaan de rots, en dat duurt 30 keer zo lang als dat je zondige periode heeft geduurd. Alleen door gebeden van levenden kan deze periode verkort worden. En dat laatste is een heel bekende traditie binnen de katholieke kerk. Het is echter ook het principe dat heeft gezorgd voor de praktijken rond de “aflaten” en de handel daarin: je kon als het ware korting kopen op de duur van het verblijf van dierbaren in dit toch zware vagevuur. Daarom besluit Manfred de zang ook met het verzoek om de nabestaanden nog maar eens aan hem te herinneren als Dante weer op aarde mocht terugkeren: “Want de mensen op aarde kunnen ons door hun stem hier erg vooruithelpen.”


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen