maandag 31 januari 2011

100 dagen Dante (36): Wiens hart reeds gaat, al dralen nog zijn voeten


Dante en Vergilius bevinden zich nog steeds op het strand aan de zee van het zuidelijk halfrond. Een wondermooie zonsopgang is begonnen, waarvoor Dante het klassieke beeld gebruikt van de godin van de dageraad, Aurora (bij de Grieken: Eos), de rose-kleurige horizon.

Noi eravam lunghesso mare ancora,
come gente che pensa a suo cammino,
che va col cuore e col corpo dimora.
(Purgatorio II, 10-12)
En steeds nog toefden wij nabij de golven
en droomden als de man die wil gaan reizen,
wiens hart reeds gaat, al dralen nog zijn voeten.
(Vertaling: Christinus Kops)


In de verte verschijnt plots iets van over zee dat snel dichterbij komt en blinkend wit is, “een licht, dat langs de golven vloog zo haastig / dat vogels zelfs zijn vlucht niet evenaren”. Het blijkt een wonderschone engel te zijn met zielen die vanaf de Tiber-monding (bij Rome – dat als centrum van de wereld werd beschouwd) naar dit strand bij de Louteringsberg worden vervoerd.

Als de engel heel dichtbij komt kan Dante het felle licht dat van hem afstraalt niet meer verdragen en moet hij zijn ogen neerslaan. De zielen stappen uit het bootje, en terwijl zij een psalm zingen, verdwijnt de bode even snel als dat hij kwam. Ook de nieuw aangekomenen voelen zich vreemd op deze nieuwe plek en vragen Dante en Vergius om de weg. Ze schrikken ook van het feit dat Dante een levende is (hij ademt nog), maar uit nieuwsgierigheid verdringen ze zich om hem.

Een van de zielen omhelst hem, zijn enthousiasme is aanstekelijk, dus Dante omhelst terug, maar omhelst feitelijk lucht, want het is maar een schim. Het is opmerkelijk dat dat hier zo benadrukt wordt, want we hebben net een helletocht achter de rug met zeer fysiek aandoende straffen, alsof het om lichamen ging die gestraft werden. Er zit eigenlijk iets tegenstrijdigs in wat Dante ons schetst. De enthousiaste omhelzer blijkt niemand minder dan een zekere Casella, musicus en vriend van Dante, die – zo blijkt uit Dante’s opmerkingen – blijkbaar al een tijdje dood is. Waarom arriveert hij nu pas bij de Louteringsberg? Casella laat doorschemeren dat dat terecht was, maar we krijgen niets van zijn zonden hier te horen. Eigenlijk is hij er nog tussendoor geglipt vanwege het door de paus in 1299 afgekondigde jubeljaar 1300, waardoor extra aflaten geldig gemaakt konden worden en zielen van dierbaren sneller konden doorstromen naar louteringsberg en dus uiteindelijk het paradijs.

Op verzoek zingt Casella een lied, en de beginregel duidt erop dat het naar een gedicht van Dante is, die zich mogelijk zelf graag vleide hiermee.

[…] en ’t klonk zo zacht en teder,
dat die lieftalligheid nog in mij doorklinkt.
Mijn meester en ik zelf en ook de schimmen,
ze schenen zo verrukt en zo betoverd,
of aller hart om niets zich meer bekreunde.
(Vertaling: Christinus Kops)

Ik heb het zo snel niet in de commentaren kunnen vinden, maar een muzikant die iedereen met zijn muziek betovert roept onherroepelijk associaties op met Orpheus, de tragische figuur uit de klassieke mythologie.

Natuurlijk duren pleziertjes maar even, en de oude grijsaard uit de vorige zang, Cato van Utica, komt vanuit het niets opdagen als party pooper. Hij maant de zielen dat ze de louteringsberg nu echt moeten gaan beklimmen, stelletje “trage geesten” (spiriti lenti).

qual negligenza, quale stare è questo?
Correte al monte a spogliarvi lo scoglio
ch'esser non lascia a voi Dio manifesto
            (Purgatorio II, 121-123)

            Wat voor nalatigheid is dit? Wat staat gij?
            Rent naar de berg en rukt de blinddoek neder,
            die u weerhoudt Gods aangezicht te aanschouwen.
(Vertaling: Christinus Kops)

De luisterende schare vlucht uiteen, inclusief Dante en Vergilius.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen