zondag 23 januari 2011

100 dagen Dante (32): Een plaats van onuitsprekelijke verschrikkingen

Eindelijk verlaten Dante en Vergilius de verschrikkelijke 8e hellekring, waarin – onderverdeeld in 10 ringgrachten – de diverse soorten bedriegers werden gestraft. Zij betreden nu de 9e en laatste hellekring, waarin de zondaars worden gestraft die verraad hebben gepleegd, in dit wereldbeeld het allerergste wat er is. Naar de aard van het verraad wordt de zondaar in een van de vier zones ondergebracht:

Zone
Type verraad
Kaïna
van bloedverwanten
Antenora
van het vaderland
Ptolemea
van gasten
Judecca
van weldoeners

Ook deze indeling doet sterk denken aan de catalogiseringsdrift, mogelijk ontleend aan Aristoteles, waar middeleeuwers gek op waren. Getallen en getalsverhoudingen waren immers een goddelijke instelling, op die manier werd Gods hand in de schepping zichtbaar, en de kunstenaar moest in zijn kunst hier een weerspiegeling van vormen.

Op de bodem aangekomen, die gevormd wordt door de 4e onderwereldse rivier de Cocytus, kan Dante nauwelijks de juiste woorden vinden om te beschrijven wat hij ziet en meemaakt. “Het is voorwaar geen taak om mee te spotten: / de bodem van ‘t heelal in beeld te brengen” (ché non è impresa da pigliare a gabbo / discriver fondo a tutto l'universo). Omdat in dit geocentrische wereldbeeld de aarde een platte ronde schijf is, die in het centrum van het heelal zou staan, wordt hier niet zozeer van het binnenste der aarde gesproken maar van de bodem van het heelal. Hierover later meer.

Oh sovra tutte mal creata plebe
che stai nel loco onde parlare è duro,
mei foste state qui pecore o zebe!
(Inferno xxxii, 13-15)

O volk, van alle schepselen het meest rampzalig, verblijvend op een plaats van onuitsprekelijke verschrikkingen, beter had gij op aarde een kudde schapen of geiten kunnen zijn.
(Vertaling: Frans van Dooren)

Gewaarschuwd door een stem om niet tegen de hoofden te trappen, ontwaart Dante dat hij op een geheel bevroren meer loopt, waarin de zondaars vastzitten tot aan hun gezicht. Nooit eerder heeft hij zo’n dikke, glasheldere ijslaag gezien. Interessant interpretatieverschil is dat vertaler Kops ervan uitgaat dat de stem die van Vergilius is (spreekt van de hoofden van deze “arme en moede broeders”, wat letterlijk wel klopt), terwijl Van Dooren duidelijk de stem afkomstig laat zijn van een van de zielen die vastzitten in het ijs (en spreekt van “ons, ongelukkigen”). Een van de Italiaanse commentaren gaat hier niet op in, vindt het blijkbaar niet problematisch. Het andere commentaar (editie Borzi) gaat ervan uit dat de stem van een van de zielen is: “lanciato probabilmente da uno dei due fratelli Alberti” (p. 216), een van de twee broers Alberti dus, die hier vastzitten.

Een aantal mooie vergelijkingen om de kou en de kracht van de ijslaag uit te drukken moet ik hier laten passeren – het beste is ze zelf te lezen. De zondaars zelf worden vergeleken met kikkers die net hun gezicht boven water houden en aldus liggen te kwaken:

[…] zo zaten daar de zwaarbeproefde schimmen blauw van de kou tot aan hun gezicht (de plaats waar de schaamte zich aftekent) in het ijs vastgevroren, terwijl ze al klappertandend precies zo’n geluid maakten als ooievaars met hun snavel. Allemaal hielden ze de blik omlaag gericht, waarbij hun mond getuigenis aflegde van de kou die hen teisterde en hun ogen van de wanhoop die hun hart beheerste.

De twee schimmen die we het eerste tegenkomen zijn als tegen elkaar aan geplakt. Hun tranen bevriezen meteen en zij gaan heftig tegen mekaar te keer. Het zijn de broeders Alberti die eerst hun vader en vervolgens elkaar hebben vermoord. Daarom zitten zij in dit eerste deel Kaïna, genoemd naar de bijbelse Kaïn die broedermoord pleegde.

In deze zone worden alle familiemoordenaars gestraft: we herinneren ons de moordenaar van Francesca en Paolo (zie Inferno v), die hier niet meer genoemd wordt, en verder: Mordred de zoon van (de legendarische) koning Arthur, Focaccia (dei Cancellieri, uit Pistoia), Sassol Mascheroni (uit Florence, “Zijt gij Toscaan, dan is hij u geen vreemde”), en de spreker zelf Camicione dei Pazzi (pazzi betekent in het Italiaans zoiets als “gekken, mafketels”), die nog op zijn familielid Carlino wacht die nog gruwelijker moorden zou hebben gepleegd. Zo zijn er duizenden te zien in dit deel van de hel.

Ze trekken verder naar het midden en komen aan in het tweede deel van de 9e hellekring, Antenora genaamd, genoemd naar Antenor die volgens bepaalde bronnen zijn vaderstad Troje aan de Grieken overleverde. Dante trapt – was het per ongeluk, voorbeschikt of met opzet, zo laat hij grimmig weten – tegen een van de hoofden, dat blijkt te behoren tot iemand die zich absoluut niet bekend wil maken, zelfs niet na aandringen van Dante dat hij hem beroemd zou maken. Zozeer ondergaat hij de schande van het daar gestraft zijn. Dante wordt boos, trekt hem aan de haren en uit zelfs bedreigingen, niets menselijks lijkt hem vreemd. Een andere ziel roept echter naar Bocca en onthult hiermee de naam van hem, die de Ghibellijnse zaak had verraden. Dante belooft hem plechtig dat hij zijn schande in de wereld zal bekend maken.

De andere spreker van zojuist, is Buosa de Dovera, die voor veel geld in 1265 de Fransen liet passeren, die zo konden optrekken tegen Zuid-Italië. En zo komen we nog heel wat politieke verraders tegen. Aan het einde van dit deel stuiten we op twee verdoemden die tot elkaar veroordeeld zijn: de een neemt steeds hongerig een hap uit de ander. Dante belooft hem eerherstel, als hij maar goed vertelt wie hij is. De uitwerking daarvan lezen we in canto xxxiii.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen