zaterdag 22 januari 2011

100 dagen Dante (31): De dolende verbeelding

Nog enigszins beschaamd over het standje dat hij van Vergilius kreeg, voelt Dante zich langzaam weer op zijn gemak:

Una medesma lingua pria mi morse,
sì che mi tinse l'una e l'altra guancia,
e poi la medicina mi riporse;
(Inferno XXXI, 1-3)
Dezelfde tong die me eerst zo deerlijk wondde,
dat de ene en de andere wang zich purper kleurde,
schonk ook het heilzaam kruid tot mijn genezing.
(Vertaling: Christinus Kops)

Het doet Dante denken aan de speer van Achilles, de beroemde Griekse held die vocht tegen Troje, wiens lans eerst verwondde en vervolgens genas. Dat laatste heeft Dante ontleend aan het werk van Ovidius, waarnaar we in canto XXXI meer verwijzingen aantreffen. Straks in canto XXXII en verder zullen we ook weer Italiaanse tijdgenoten van Dante tegenkomen, maar hier stuiten we op mythische reuzen, Giganten en Titanen, die Dante een beetje door elkaar haalt. Kern van de zaak is dat dit wezens zijn die zich in het verleden hebben verzet tegen de boven hen gestelde goddelijke machten, resp. Ouranos / Uranus en Zeus / Jupiter.

Het begint ermee dat de reizigers worden opgeschrikt door een hard hoorngeschal, luider nog dan destijds Roeland, de paladijn van Karel de Grote (Slag bij Roncesvalles, 778) in het gevecht tegen de “ongelovigen” (verondersteld werd dat het om Saracenen ging, maar later onderzoek wijst uit dat het Basken waren). Dit heldenepos was onder de naam Chanson de Roland erg bekend gedurende de hele middeleeuwen en kende ook een Middelnederlandse versie, het Roelandslied. En ook Dante wil weer graag laten zien dat hij zijn klassiekers kent, zoals hierboven al aangeduid, zit deze zang propvol met figuren uit en verwijzingen naar klassieke en bijbelse mythologie.

Door het schemerdonker denkt Dante van doen te hebben met de torens van een stad, maar Vergilius moet weer eens expliciet als verstand optreden:

En hij tot mij: “Daar gij dit schemerdonker
doorlopen wilt uit al te grote verte,
moest uw verbeelding wel in dool geraken.
Ge zult dus zien, wanneer ge ginds zult wezen,
hoe ’t zintuig vaak door de afstand wordt bedrogen
[…]”
Gelijk, wanneer de mistgordijnen scheuren,
het oog allengs herbeeldt wat eerst de nevel,
die heel de lucht verzwaart, ons hield verborgen,
aldus, wijl ’t oog de zwarte luchtlaag kliefde,
en we aldoor dichter bij de putrand kwamen,
verzonk de waan en klom de vrees steeds hoger.
(Vertaling: Christinus Kops)

Hier wordt meteen in herinnering gebracht dat de hel uiteindelijk uitloopt in een diepe put, waarin we straks het allerergste zullen aantreffen.

In dit laatste stukje van de 10e ringgracht (uit de 8e hellekring) ontmoeten we achtereenvolgens de reuzen:
  • Nimrod, die tegen Gods wil de volken weer onder één leider wilde verenigen en onder meer de toren van Babel wilde bouwen (bijbelboek Genesis) – hij kraamt hier in de hel dan ook onverstaanbare woorden uit, Vergilius maant om verder te gaan want niemand verstaat hem en hij verstaat niemand (immers door de Babylonische spraakverwarring, een “slechte inval”, aldus Vergilius);
  • Ephialtes, een der Giganten die in opstand kwamen tegen Jupiter – hier in de hel is hij een geketende, verschrikkelijke reus die de aarde doet beven, waardoor het Dante weer even bleek om de neus wordt;
  • Briareus, die volgens Vergilius meer van hetzelfde is maar er nog verschrikkelijker uitziet – ze zullen hem uiteindelijk niet opzoeken;
  • Antaeus, een bijna onoverwinnelijke reus, uiteindelijk overwonnen door Hercules, die achter zijn geheim kwam (de verbondenheid met moeder aarde, Gaia) en hem van de grond tilde en vervolgens wurgde. Omdat hij niet zou hebben meegedaan aan de opstand tegen Jupiter, is hij niet geketend.

Antaeus is ook degene die beide reizigers, op verzoek van Vergilius, oppakt en neerzet op de bodem van de 9e hellekring, de put waarin de hel uitloopt. De grote gestalte bukt zich om hen op te pakken, wat Dante associeert met de scheve toren Garisenda in Bologna (waar Dante in werkelijkheid heeft gestudeerd), en

[…], e fu tal ora
ch'i' avrei voluto ir per altra strada.
Ma lievemente al fondo che divora
Lucifero con Giuda, ci sposò;
né, sì chinato, lì fece dimora,
e come albero in nave si levò.
(Inferno xxxi, 140-145)
[…] in die stonde
had mij een andere weg meer toegelachen.
Doch zacht liet hij ons neder in de diepte,
die Lucifer en Judas houdt verslonden;
niet lang zag ik de reus zo diep gebogen,
doch als een mast op ’t schip herrees hij weder.
(Vertaling: Christinus Kops)


We naderen nu echt het dieptepunt van de hel, in de volgende zang zullen we getuigen zijn van een ijselijk schouwspel…

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen