donderdag 20 januari 2011

100 dagen Dante (30): De belhamel Gianni Schicchi en andere vervalsers

Hoewel mijn operakennis redelijk beperkt is, weet ik vrij zeker dat Giacomo Puccini mijn favoriete operacomponist is en zal blijven. Een van zijn mooiste en bekendste aria’s is “O mio babbino caro”, afkomstig uit de veel minder bekende opera Gianni Schicchi (1918):





O mio babbino caro,
mi piace è bello, bello;
vo'andare in Porta Rossa
a comperar l'anello!
Sì, sì, ci voglio andare!
e se l'amassi indarno,
andrei sul Ponte Vecchio,
ma per buttarmi in Arno!
Mi struggo e mi tormento!
O Dio, vorrei morir!

Babbo, pietà, pietà!
Babbo, pietà, pietà!
(Uit: Gianni Schicchi)
O mijn dierbaar vadertje,
hij bevalt me, hij is mooi, zó mooi,
ik wil naar de Porta Rossa gaan
om een ring te kopen!
Ja, ja, ja, ik wil er heen gaan!
En als ik tevergeefs van hem houd,
zou ik naar de Ponte Vecchio [lett. “oude brug”] gaan
maar om me in [de rivier] de Arno te gooien.
Ik smelt van verlangen en ik word gekweld!
O, God, ik zou wel willen sterven.

Pappa, heb medelijden!
Pappa, heb medelijden!
(Vertaling: Danny Habets)

Gianni Schicchi (spreek uit: Skiekie) is een komische opera met een tragische noot, genoemd naar de hoofdpersoon die als sluwste bedrieger alle andere opportunisten en bedriegers achter zich laat. Het verhaal komt er kort gezegd op neer dat Buoso Donati overlijdt, zijn familieleden en andere “belanghebbenden” op zoek gaan naar het testament en zij erachter komen dat alles vermaakt is aan de broeders uit de streek. Wat een pech, wat een schande: wat zullen die broeders hun buikje vetmesten. Gianni Schicci weet raad en verzint een list, waarmee de anderen instemmen. Hij geeft zich uit voor de stervende Donati, liggend in diens bed, en laat de notaris komen om het testament aan te passen. De familieleden hopen nu stuk voor stuk de winst op te strijken, maar zij krijgen allemaal een bescheiden deel uit de erfenis. Het belangrijkste uit de erfenis gaat naar… Gianni Schicchi. Omdat het bedrog niet uit mag komen (anders verliezen ze alles), houden de anderen tijdens deze sessie wijselijk hun mond en dus gaat Gianni Schicchi er met de buit vandoor. Tussendoor speelt nog de dramatische liefdesgeschiedenis tussen zijn dochter Lauretta en Rinuccio, wiens familie niet toestaat hij Lauretta huwt. Bovengenoemde aria is een van de dramatische hoogtepunten.

Wat ik tot voor kort niet besefte, is dat dit verhaal in oorsprong al enkele eeuwen ouder is en dat er onder meer in canto XXX van de Divina Commedia van Dante naar wordt verwezen: “Die razende idioot is Gianni Schicchi, die hier als een woesteling rondraast om iedereen zo toe te takelen.” (Quel folletto è Gianni Schicchi, / e va rabbioso altrui così conciando). Deze "onverlaat" heeft zich op onrechtmatige manier uitgegeven voor Buoso Donati (falsificare in sé Buoso Donati) en zo zich het mooiste paard toegeëigend. Dante beoordeelt deze figuur duidelijk negatief, in de opera van Puccini is het een beetje een ondeugende belhamel geworden waardoor de bedriegers bedrogen worden.

Dante en Vergilius bevinden zich nog steeds in de 10e ringgracht van de 8e hellekring, waar allerhande vervalsers zich bevinden. De zondaars gaan elkaar daar te lijf waarbij ze elkaar onder meer verscheuren met hun tanden. Met enkele duidelijke verwijzingen naar Ovidius’ Metamorphosen (de waanzin van Athamas uit Thebe, en het uitzinnige verdriet van Hecuba van Troje) geeft Dante aan hoe razernij van mensen iets onmenselijks maakt:

Maar noch in Thebe noch in Troje zag men ooit personen die zo door razernij waren bevangen en zich zo onbarmhartig aan mens en dier vergrepen als twee lijkbleke en naakte schimmen […]: ze beten naar alles en iedereen zoals varkens wanneer ze door het geopend kot naar buiten dringen. De ene vloog Capocchio aan en sloeg zijn tanden zo stevig in zijn nekbeen vast dat hij hem met zich meesleurde, waarbij de zondaar met zijn buik over de harde rotsbodem schuurde.
            (Vertaling: Frans van Dooren)

Een van hen is dus genoemde Gianni Schicchi, de ander is de “misdadige Myrrha”, een vrouw die door zich te vermommen als vreemde vrouw het bed deelde met haar vader. Nog anderen lijden onder zware misvormingen van het lichaam of onlesbare dorst, waaronder een eigentijdse valsemunter.

Behalve tijdgenoten komen we ook “de vrouw die Jozef vals beschuldigde” tegen. Dit is de vrouw van de Egyptenaar Potifar (uit het Oude Testament), die Jozef ervan beschuldigde dat hij haar aanrandde, terwijl het omgekeerde het geval was: zij probeerde hem te verleiden, waarop hij weigerde. Ook zij is in die zin een vervalser, namelijk van de waarheid, waardoor Jozef in de gevangenis terechtkwam, waarna vervolgens nog dromenvoorspeller werd voor de farao.

Volgt nog een wat komische woordenstrijd tussen de waterzuchtige valsemunter en de leugenachtige Griek Sinon, waarbij ze ook met elkaar op de vuist gaan. Tot slot maant Vergilius Dante nadrukkelijk om niet langer naar dit minderwaardige bekvechten te kijken en de tocht voort te zetten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen