woensdag 19 januari 2011

100 dagen Dante (29): Nog ijdeler dan de Fransen


            La molta gente e le diverse piaghe
            avean le luci mie sì inebrïate,
            che de lo stare a piangere eran vaghe.
            (Inferno XXIX, 1-3)

            Het vele volk en al die smart en wonden,
            ’t had de ogen mij van weedom zo verzadigd,
            dat zij verlangden rustig uit te schreien.
            (Vertaling: Christinus Kops)

Dante is zo beduusd over wat hij zojuist heeft gezien in de negende bolgia, dat Vergilius hem moet aansporen om verder te gaan. Er is immers nog meer te zien, alsof het om een aantal toeristische attracties gaat dat nog afgewerkt moet worden. En het wordt al zo laat!

De reden dat Dante langer stilstond, had ermee te maken dat hij een familielid herkende, Geri del Bello, en daar erg verdrietig over werd. Vergilius zegt eigenlijk: ach, het was zo’n slechterik, die ook nog boos zijn vuist tegen je ophief, get over it. Maar Dante riposteert dat dit vermoorde familielid nog niet gewroken was, wat ook volgens middeleeuws (Italiaans) gewoonterecht nog een schande is en wat dus de boosheid van deze ziel verklaart. Het wekte in Dante des te dieper mededogen (e in ciò m'ha el fatto a sé più pio).

De zondaars die we in de 10e ringgracht aantreffen, zijn de vervalsers en alchemisten (in de ogen van de middeleeuwers: gevaarlijke tovenaars, die nogal eens op de brandstapel terecht kwamen). Zij worden gestraft met ziekte: pest, melaatsheid en een ongeneeslijke jeuk, ze krabben de korsten van hun lijf en er stijgt een stank op van rottende ledematen. Hun jammerklachten zijn zó erg, dat Dante zijn oren bedekt met de handen. Desalniettemin twijfelt hij geen moment aan de rechtvaardigheid van deze straf:

e allor fu la mia vista più viva
giù ver' lo fondo, la 've la ministra
de l'alto Sire infallibil giustizia
punisce i falsador che qui registra.
Non credo ch'a veder maggior tristizia
fosse in Egina il popol tutto infermo,
quando fu l'aere sì pien di malizia,
che li animali, infino al picciol vermo,
cascaron tutti, e poi le genti antiche,
secondo che i poeti hanno per fermo,
si ristorar di seme di formiche;
(Inferno XIX, 54-64)

            En al feller schoot mijn blik al in de diepte,
            waar zij, de dienares van de Allerhoogste,
            Gerechtigheid, nooit in haar oordeel falend,
            inschrijft en straft de drommen der vervalsers.
            Geen droever schouwspel bood, naar mijne mening,
            het Aeginese volk in leed verkwijnend,
            toen daar de lucht zo vol was van besmetting,
            dat al wat adem haalde er ook moest sterven,
            tot ’t nietigst wormpje, schoon de aloude volkren
            (gelijk de dichters in hun lied getuigen)
            zich als herteelden uit het zaad der mieren, -
            (Vertaling: Christinus Kops)
           
Een aantal aardige observaties m.b.t. het Italiaans. Zo herinnert de lucht die vol is van besmetting ons aan de herkomst van malaria (mal aria, “slechte lucht”), waarvan men vroeger dacht dat de “slechte lucht” bij moerassen de ziekte veroorzaakte. Je zou het niet meer altijd zeggen, maar ministra, “dienares”, wijst erop dat “minister” eigenlijk een dienend beroep is.
De verwijzing naar het het volk van Aegina is interessant. In de oudheid zou op het eiland Aegina een pestepidemie zijn uitgebroken (als wraak van de oppergodin Iuno, omdat haar man Jupiter overspel zou hebben gepleegd met de nimf Aegina), waarbij alle levende wezens zouden zijn gestorven, behalve koning Aeacus. Op zijn verzoek zou Jupiter alle voor zijn voetende krioelende mieren veranderen in mensen die het eiland opnieuw bevolkten. Dante legt dat ook min of meer uit in de tekst, maar het is hem vooral te doen om de ellende van die pestepidemie waaraan hij moet denken als hij de ellendigen in de 10e ringgracht waarneemt. Het verhaal heeft hij hoogst waarschijnlijk ontleend aan de Metamorphosen van Ovidius.

Dante en Vergilius gaan actief op zoek naar Italianen en vinden een duo dat zich enorm zit te krabben van de jeuk. Huilend meldt een van hen zich bij Dante. Het blijkt een alchemist uit Arezzo te zijn, die door Albero uit Siena op de brandstapel ter dood was gebracht, overigens om een heel andere reden dan zijn tovenarij: hij had als grapje verteld dat hij kon vliegen, waarop de wat naïeve man eiste dat hij hem tot een soort Daedalus zou maken en vleugels zou verschaffen. Volgens de commentaren zou het om een “zoon” (!) gaan van een bisschop. Het verhaal van deze man verleidt Dante tot een spottende tirade over de ijdelheid van de inwoners van Siena (gente sì vana come la sanese). “Het leidt geen twijfel of ze overtreffen op dat punt zelfs de Fransen.” (Certo non la francesca sì d'assai!)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen