woensdag 12 januari 2011

100 dagen Dante (26): "waarna de zee zich tenslotte boven ons sloot"


Na het slangenavontuur verzucht Dante dat de roem van Florence zo verbreid is, maar ook die van de dieven, waardoor “door de hel uw naam wordt rondgedragen” (per lo 'nferno tuo nome si spande). Zijn geliefde vaderstad zal ooit voor al haar wandaden gestraft worden, laat het dan maar zo snel mogelijk gebeuren!

Samen met Vergilius trekt Dante verder, en zij komen bij de 8e ringgracht van – nog steeds – de 8e hellekring. Hierin bevinden zich de “valse raadgevers”, zij die door hun raad anderen in het verderf storten. Hier treffen zij onder meer Ulysses (of Ulixes, de verlatijnste naam van Odysseus de grote held uit Ilias en Odyssea van Homeros) en Diomedes, de twee Griekse helden die betrokken zijn geweest bij de val van Troje. Met name Ulysses gold als een sluwe praatjesmaker, die onder meer Achilles middels een list ontfutselde aan zijn geliefde waardoor Achilles weer deelnam aan de Trojaanse oorlog (en erin bleef), en zij roofden het beeld van Pallas waardoor Troje niet meer beschermd was.

Daarnaast krijgt Ulysses in dit verhaal het verwijt (toch wel) het paard van Troje bedacht te hebben waardoor Troje uiteindelijk in handen viel van de Grieken en door hen werd verwoest. Dat leidde overigens wel weer (in de versie van Vergilius’ Aeneïs) tot de stichting van Rome doordat de vluchtende en rondzwervende Aeneas op Italische bodem een nieuw rijk stichtte, het Romeinse. Het is overigens goed om te beseffen dat middeleeuwers weinig ophadden met de Grieken – in verhalen die de strijd om Troje als basis hebben, ligt meestal de sympathie aan de kant van de Trojanen, die immers ook via Aeneas de basis vormden van het Romeinse Rijk en dus van de westerse beschaving. Grieken waren in dat wereldbeeld de tegenstanders. Komt nog bij dat het Europese christendom middels het Oosters Schisma tot op het bot verdeeld was geraakt in een Latijns deel en een Grieks(-Orthodox) deel.

De zielen in deze ringgracht worden gemarteld doordat ze omhuld worden door een vuurvlam, Ulysses en Diomedes mogen hun tijd, net als op aarde, samen doorbrengen en vormen een dubbele vlam, wat weer leidt tot allerlei verwijzingen naar mythische figuren uit het Oudheid en prachtige vergelijkingen. Het zien van de vlammetjes, op het moment dat Dante en Vergilius de ringgracht naderen, leidt wederom tot een mooie vergelijking die gebaseerd is op de (idylle van) het boerenleven van de landman:

Quante 'l villan ch'al poggio si riposa,
nel tempo che colui che 'l mondo schiara
la faccia sua a noi tien meno ascosa,
come la mosca cede a la zanzara,
vede lucciole giù per la vallea,
forse colà dov' e' vendemmia e ara:
di tante fiamme tutta risplendea
l'ottava bolgia, sì com' io m'accorsi
tosto che fui là 've 'l fondo parea.
(Inferno XXVI, 25-33)
Gelijk de landman rustende op de heuvel
ten tijde, dat het grote licht der wereld
zijn aangezicht ons korter houdt verborgen,
zodra de vliegjes wijken voor de muggen,
wel duizend lichtjes in het dal ziet flikkren,
waar hij misschien zijn wijngaard heeft of akker:
van zoveel vuren lichtte aan alle zijden
het achtste diep, als ook mijn oog bespeurde,
zodra ik stond, waar ’t dal zijn bodem toonde.
(Vertaling: Christinus Kops)

Ook het verhaal dat Ulysses/Odysseus vervolgens vertelt over zijn reis over zee, is prachtig en refereert naar typisch middeleeuwse preoccupaties met het reizen in het onbekende. Volgens zijn verhaal reisde Ulysses met zijn bemanning voorbij de “zuilen van Hercules” (de doorgang tussen Spanje en Afrika bij de rots van Gibraltar), wat ook psychologisch gezien een grensoverschrijding moet zijn geweest – het tijdperk van de grote ontdekkingsreizen over zee moest nog beginnen! En in de traditie van dit soort reisverhalen – denk aan de Reis van Sint Brandaan – voltrekt de reis zich deels in een bovenwereldse omgeving. Hij vertelt dat ze in zuidwestelijke richting, het “achterdek gekeerd naar de morgen [= het oosten]” (volta nostra poppa nel mattino). De motivatie van die reis wijst ook al vooruit naar wat latere generaties daadwerkelijk zullen ondernemen: nieuwe werelden ontdekken, kennis van de wereld en de mensen. Merkwaardig genoeg zit er wat dubbelzinnigs in, aangezien Ulysses zich diep in de hel bevindt en terugkeer naar vrouw en familie heeft uitgesteld om nog wat van de wereld te zien… In deze versie, die hij aan Dante vertelt, lijkt hij zelfs met schip en bemanning ten onder te gaan: “waarna de zee zich tenslotte boven ons sloot”.

Eigenlijk ben ik toch ook weer erg gecharmeerd van canto XXVI, de metafoor van het leven als reis wordt hier tot op microniveau uitgewerkt. Als verhaal binnen het verhaal beleef je als lezer niet alleen de reis van Dante en Vergilius, maar ook die van Odysseus en zijn bemanning. Zwaar gestraft worden ze voor hun zonden, maar hun optreden in de hel verschaft ze tegelijkertijd extra roem, en zo zet zich de lijn voort: Homeros, Vergilius en niet zonder trots Dante.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen