dinsdag 11 januari 2011

100 dagen Dante (25): Het lid dat de man verborgen pleegt te houden

In de 7e ringgracht (van de 8e hellekring), waar Dante en Vergilius beland waren tussen de de dieven en de kluwens van slangen, wordt het gesprek met Vanni Fucci voortgezet. Hij hoont God expliciet en maakt daarbij het obscene gebaar van de vuist waarbij de duimen tussen wijs- en middelvinger worden gestopt. Fuck you, Opperwezen, zo wil hij maar zeggen, maar God is almachtig want meteen kronkelen slangen zich zo om zijn nek en armen dat hij een woord kan uitbrengen noch een gebaar meer maken, wat Dante tot de verzuchting brengt dat slangen hem sindsdien dierbaar zijn.

Door het gevloek komt Cacus opdagen, een rover uit de klassieke mythologie die door Dante als een centaur wordt voorgesteld (zijn soortgenoten zijn we eerder tegengekomen), maar die in de versies van Vergilius en Ovidius ook als misdadig vuurspuwend monster wordt afgebeeld. Dat is interessant omdat bij Dante Cacus is bedekt met adders (bisce, meer dan in de woeste Maremmen van Toscane zouden voorkomen) en hij in de nek een vuurspuwende gevleugelde draak heeft. Volgens de mythologie zou hij runderen van Herakles/Hercules hebben gestolen en vervolgens door deze zijn doodgeknuppeld, “wel honderd slagen […], waarvan hij overigens alleen de eerste tien echt voelde” (cento, e non sentì le diece).

De kern van deze canto draait om de zogenaamde metamorfosen die de zondige zielen ondergaan: van slang of vergelijkbare grondkruiper in mens en omgekeerd. Als in een echte horrorfilm zie je het voor je gebeuren. Dante waarschuwt de lezer nog: als je hem niet gelooft, dan verbaast dat niks want hij zelf kan het nauwelijks geloven, terwijl hij er toch zelf bij was, wat een beetje een retorisch trucje is.

Met dit metaformose verhaal steekt hiermee klassieke auteurs als Ovidius (vooral bekend vanwege zijn dichtwerk Metamorphosen) en Lucanus naar de kroon, die hij dan ook expliciet uitdaagt:

Laat Lucanus nu, waar hij het heeft over de ongelukkige Sabellus en Nassidius, zwijgen en laat hij gespannen luisteren naar wat hier volgt. En laat Ovidius zwijgen over Cadmus en Arethusa, want ook al heeft hij in zijn dichtwerk de eerste in een slang en de tweede in een bron veranderd, ik voel jegens hem geen enkele afgunst. Nooit veranderde hij namelijk twee tegenover elkaar staande naturen zo dat beide wezens bereid waren ook wederzijds van lichaam te verwisselen.

Wat dan vervolgens nogmaals gebeurt – en het loopt gelijk op: bij de een splijt de staart in 2 benen, bij de ander smelten de benen samen tot één geheel waardoor niet meer te zien is dat het ooit 2 benen waren, het slangevel wordt zacht en de mensenhuid hard, etc. Zelfs “het lid dat de man verborgen pleegt te houden” (lo membro che l'uom cela) wordt niet gespaard: bij “de ongelukkige” splijt zijn geslachtsdeel zich tot twee achterpootjes, bij het reptiel gebeurt het omgekeerde. Niets blijft op zijn plaats, alles verandert van aanschijn. Via Ovidius schemert hier een oude filosofie doorheen van het pantha rei, alles is voortdurend in beweging. Zij het dan dat bij Dante dit voortdurende overgaan in tegendelen een constant karakter heeft, namelijk in de eeuwigheid van de hel.

Slangen die zich in je navel boren of zich zo om je lichaam wortelen, zo krachtig als klimop zelfs nooit zich om een boom strengelde, waardoor een samensmeltingsproces op gang komt, waarna uiteindelijk niet meer is te zien of het een slang of mens is, zo verenigt het nieuw ontstane wezen beiden wel en niet in zich. Het is afschuwelijk wederom, en Dante vertelt het ons in geuren en kleuren. “En als mijn beschrijving hier en daar misschien tekortschiet, moge het uitzonderlijk karakter van wat ik hier vertel mij verontschuldigen.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen