maandag 10 januari 2011

100 dagen Dante (24): Als rook in de lucht en schuim op het water

Persoonlijk vind ik canto XXIV een van de mooiste, meest poëtische ook qua toonzetting. Het begint met een mooi uitgewerkte vergelijking, gebaseerd op de landbouw, eigenlijk geheel modelleerd naar klassieke voorbeelden, waarschijnlijk Vergilius (die een leerdicht over het “landleven”, Georgica had geschreven). Daarna volgt een levendige, horrorachtige beschrijving van de straffen die de zondaars ondergaan.

Om aan te geven hoe Dante eerst in de put zat en vervolgens weer opgelucht was, begint de canto met deze vergelijking:

In quella parte del giovanetto anno
che 'l sole i crin sotto l'Aquario tempra
e già le notti al mezzo dì sen vanno,

quando la brina in su la terra assempra
l'imagine di sua sorella bianca,
ma poco dura a la sua penna tempra,

lo villanello a cui la roba manca,
si leva, e guarda, e vede la campagna
biancheggiar tutta; ond' ei si batte l'anca,

ritorna in casa, e qua e là si lagna,
come 'l tapin che non sa che si faccia;
poi riede, e la speranza ringavagna,

veggendo 'l mondo aver cangiata faccia
in poco d'ora, e prende suo vincastro
e fuor le pecorelle a pascer caccia.

Così mi fece…
Op het tijdstip dat de zon vroeg in het jaar haar stralen kracht geeft in het teken van de Waterman en de nachten al tot de helft van een etmaal beginnen te krimpen, wanneer de rijp op de grond het beeld van zijn blanke zuster de sneeuw, zij het ook kortstondig, tracht na te bootsen, staat de boer, omdat hij voer nodig heeft voor zijn vee, ’s morgens op, kijkt buiten rond en ziet hoe de velden overal met een witte wade bedekt zijn; hij maakt een mismoedig gebaar, gaat weer naar binnen en loopt klagend door heel het huis als iemand die ten einde raad is; vervolgens keert hij weer terug en hij krijgt weer hoop wanneer hij ziet hoe de wereld in een mum van tijd van aanzienis veranderd; dan neemt hij zijn staf en drijft daarmee zijn schaapjes naar buiten om te grazen. Op dezelfde manier verging het mij, …

De vrienden krijgen weer hoop en bereiken na veel geklauter de rand tussen de 6e en te ringgracht. Zoals het “het verstand” betaamt, weet Vergilius precies wat er nodig is en kijkt hij vooruit. Dante legt nog omstandig uit dat door de trechtervorm de randen van de grachten aan de buitenkant hoger zijn dan aan de binnenkant, anders was het helemaal niet te doen geweest. Ze hebben de huichelaars achter zich gelaten en komen nu in de ringgracht waar de rovers en dieven zitten. Opmerkelijk, althans vanuit ons moderne perspectief, is dat deze dus dieper in de hel zitten dan bijvoorbeeld de moordenaars en zelfmoordenaars.

Dante krijgt, als hij even op adem wil komen, nog een morele peptalk. Sta eens gauw op, zegt Vergilius tegen Dante “want men verwerft zich geen roem door op dons te zitten en onder de dekens te liggen” (ché, seggendo in piuma, / in fama non si vien, né sotto coltre). En roemloos leven is wel het ergste: “En wie zijn levensdagen zonder roem slijt, laat op de aarde evenveel sporen van zich na als rook in de lucht en schuim op het water” (qual fummo in aere e in acqua la schiuma). Daar zit je dan, met je saaie burgerlijke bestaan, reizend van en naar kantoor…

Op het hoogste punt van de brug aangekomen, hoort Dante wel een stem spreken maar verstaat noch ziet echt iets. Op zijn voorstel dalen ze tot aan de volgende rand, die lager ligt, waar ze een gruwelijke wirwar van allerlei soorten slangen zien. Om het nog wat sappiger te maken noemt hij alle soorten op die in hem opkomen (middeleeuwers en opsommingen!) en maakt hij gebruik van de overdrijving: nog niet in Noord-Afrika (“Lybië”), Ethiopië en het gebied rondom de Rode Zee samen zijn er zoveel en zo diverse verschrikkelijke slangen te zien.

Te midden van deze slangen rennen naakte zielen rond die op vreemde manieren omstrengeld zijn door slangen, waarvan de handen achter de rug gebonden zijn door slangen. Hier en daar wordt er een besprongen door een slang die zich door de nek boort, waardoor de ziel vlam vat en bliksemsnel tot as vergaat, en vervolgens weer herrijst, en dan begint de lijdensweg opnieuw. Dat herrijzen uit as doet Dante natuurlijk denken aan een verhaal uit de klassieken, namelijk over de mythische vogel Phoenix.

Ze ontmoeten Vanni Fucci, een burger van Pistoia, dat destijds een van de grote erfvijanden van Florence was en vanaf 1254 bezit van Florence. En deze voorspelt nog meer onheil en ellende, ook voor Florence dat door de strijd tussen Ghibellijnen en Welfen, en bij die laatsten tussen Zwarten en Witten wordt verscheurd en te gronde gericht. Tot groot leedvermaak van deze Fucci.

Dit verhaal vindt een vervolg in canto XXV, waarover morgen! (En over het obscene gebaar richting God).

Tip: na 24 dagen Dante stuit ik in de Engelse wikipedia op de handige List of cultural references in Divine Comedy.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen