maandag 3 januari 2011

100 dagen Dante (21): Met pek maar zonder veren


Canto XIX is weer spannend en sappig: afschuwelijke duivels kwellen daar de zondaars, die in kokend pek worden ondergedompeld. Zodra een van de gestraften zich boven het oppervlak vertoont, wordt hij door vele kwelduivels met een gaffel weer de pek ingeduwd. Dante vermeldt ons dat hij nog heel wat besproken heeft met Vergilius maar dit (gelukkig) niet in zijn Commedia wil “bezingen” (che la mia comedía cantar non cura).

In deze zang wordt een prachtige vergelijking uitgewerkt met het arsenaal van de Venetianen, dat in zijn tijd beroemd moet zijn geweest. Dante wil wederom laten zien dat hij niet zomaar iemand van de straat is en – op klassieke wijze – een vergelijking weet uit te werken. Door de uitgebreidheid van die vergelijking, die gepaard gaat met details die voor de vergelijking er niet meer echt toe doen, ervaar ik het als 21e-eeuwse lezer tegelijk mooi als enigszins komisch:

Quale ne l'arzanà de' Viniziani
bolle l'inverno la tenace pece
a rimpalmare i legni lor non sani,

ché navicar non ponno — in quella vece
chi fa suo legno novo e chi ristoppa
le coste a quel che più vïaggi fece;

chi ribatte da proda e chi da poppa;
altri fa remi e altri volge sarte;
chi terzeruolo e artimon rintoppa — :

tal, non per foco ma per divin' arte,
bollia là giuso una pegola spessa,
che 'nviscava la ripa d'ogne parte.
Zoals ’s winters in het arsenaal van Venetië het taaie pek staat te koken om de gehavende schepen opnieuw te teren, aangezien ze dan toch niet kunnen varen (waarbij de een bezig is het hout van een boot te vernieuwen en de ander de zijkant breeuwt van een schuit die al vele reizen achter de rug heeft, de een de boeg opkalefatert en de ander de achtersteven repareert, sommigen roeiriemen maken en anderen scheepstouwen vlechten, de een het reefje verstelt en de ander het bezaanszeil opknapt), zo kookte daar beneden, niet door vuur maar door goddelijk kunnen, een dikke pekmassa, die de oevers aan beide kanten met een stroperige laag bedekte.

(Inferno XXI, 7-18)

(Vertaling: Frans van Dooren)

De prozavertaling van Van Dooren volgt hier redelijk nauw het origineel, waardoor des te duidelijker naar voren treedt hoe kernachtig Dante het in zijn 13e eeuwse Italiaans heeft weten op te schrijven. De vertaling van Christinus Kops gebruikt minder woorden maar is op plaatsen minder duidelijk en soms zelfs onjuist (hij maakt ervan dat het scheepsvolk niet kan varen, terwijl het gaat om de schepen – een nuanceverschil, maar toch). Van de legni lor non sani (“ongezonde hout”) maakt Kops zelfs “zieke zeekastelen”, inclusief de wat dreunende alliteratie, wat misschien wel wat erg aan de eigen verbeelding ontsproten is.

Als Dante en Vergilius aan komen lopen, komt er net een duivel aan met een van de schimmen over zijn schouders. Dante duikt (op advies van Vergilius) weg achter een rotsblok en ziet hoe de arme ziel in het pek wordt gesmeten. De duivels worden wel aangeduid met Malebranche, “kwaadklauwen” (bij Kops: “gruwelklauwen”) en hebben stuk voor stuk een naam die ontleend lijken aan een op hol geslagen aflevering van Suske en Wiske: Grijphand, Kwaadstaart, Zakvlerk, Drekpoot etc. Volgens het commentaar van Van Dooren hebben deze woorden in het Italiaans allemaal een etymologische betekenis.

Vergilius weet te bewerkstelligen dat ze een vrijgeleide krijgen naar de andere kring, maar de locale hoofdduivel, Kwaadstaart (Malacoda), liegt hen voor over een alternatieve route. De oorspronkelijke route is namelijk geblokkeerd door het instorten van de volgende brug, die zou zijn ontstaan door de aardbeving die 1266 jaar eerder op Goede Vrijdag: het moment dat Christus aan het kruis stierf. Dante zal niet nalaten om alles met alles te laten samenhangen, het hoort bij het wereldbeeld van de middeleeuwer: Gods creatie is logisch, doordacht en rechtvaardig.

De zondaars die zich in deze bolgia bevinden zijn, zo zal nog blijken, de oplichters en zogenoemde “rechtsverkrachters”. Veel juridisch geschoolden, zeg maar. De zondaar die zojuist in de gracht werd gesmeten is Martino Bottaio, een magistraat uit Lucca, waarover de duivels spottend opmerken dat daar iedereen zowat een oplichter, behalve een zekere Bonturo, die ironisch genoeg gold als een van de meest onbetrouwbare van het stel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen