zaterdag 1 januari 2011

100 dagen Dante (19): Hebberige pausen wordt het heet onder de voeten

Niets menselijks was de middeleeuwer vreemd, en al zeker was de geestelijke stand die boven hem gesteld was als zieleherder "menselijk al te menselijk". In veel middeleeuwse teksten worden priesters en monniken dan ook als inhalig en oversekst te kijk gezet.

Waar macht zich concentreert, ligt algauw corruptie op de loer. Een hardnekkige vorm hiervan was het kopen dan wel verkopen van zogenaamde “geestelijke goederen” en kerkelijke ambten (die op hun beurt weer wereldlijke macht met zich meebrachten). Zo is een van de grote drijfveren van Luther en de Reformatie de verkoop van aflaten geweest, maar menige prelaat, bisschop en paus heeft ook machtposities binnen de kerk verkocht dan wel hierbij zijn eigen familie en vriendjes bevoordeeld (nepotisme).

Voor dit handelen in “geestelijke goederen” hadden de middeleeuwers al de term simonie bedacht, naar Simon de Tovenaar, een soort van locale healer uit de tijd van de apostelen en bedreven in magische kunsten, die zag dat de apostelen met handoplegging de Heilige Geest over de mensen konden laten komen en die vervolgens hen geld bood om hem hetzelfde “trucje” te leren (zie het bijbelboek Handelingen der Apostelen VIII, 9-24). Dante moet een afschuwelijke hekel hieraan gehad hebben en een fel voorstander zijn geweest – althans op dit terrein – van kerkhervormingen. Om die reden, ondanks zijn “ontzag voor de hoogste sleutlen” (la reverenza de le somme chiavi), laat Dante wel drie pausen optreden in deze 3e gracht van de 8e hellekring. De sleutels zijn die van "het rijk der hemelen", die door Jezus Christus aan Petrus overhandigd zouden zijn, zodat hij als plaatsvervanger op aarde zou kunnen optreden. De pausen ontlenen hun macht en waardigheid aan deze overdracht, met alle gevoeligheid voor corruptie vandien. Dante begint canto XIX dan ook met een verzuchting: "O tovenaar Simon".

De simoniebedrijvers, die zich in dit deel van de hel bevinden, zijn elk met hun hoofd naar beneden in een ronde uitsparing van de bodem geplaatst:

Uit de mond van elk van die gaten nu staken de voeten en benen van een zondaar tot aan de kuiten naar buiten, terwijl de rest van zijn lichaam onzichtbaar bleef. En bij al die ongelukkigen stonden beide voetzolen in brand, wat tot gevolg had dat ze zo heftig spartelden dat ze allerlei soorten touw hadden kunnen laten knappen.
(Vertaling: Frans van Dooren)

Een van hen spartelt harder dan de anderen in de buurt, het blijkt Nicolaas III te zijn, paus van 1277 tot 1280, en een berucht simoniebedrijver. Als Dante en Vergilius hem naderen om hem te ondervragen, denkt hij vervroegd afgelost te worden door paus Bonifatius VIII en merkt hij spottend op: “Zo, zijt ge er al? En recht nog op de voeten?” Dat zou een meevaller zijn geweest, aangezien de volgende gestrafte de vorige verder naar beneden zou duwen en mogelijk een einde zou maken aan de kwelling van de brandende voeten. Dante helpt hem snel uit de droom door te vertellen wie hij werkelijk is. Teleurgesteld antwoord Nicolaas:

            Al langer voel ik mij de voeten roostren
            sinds ik, dus omgedraaid, werd ingekerkerd,
            dan hij hier prijken zal met rode zolen.
            Want na hem komt er één van bozer zeden,
            een herder zonder wet vanuit het westen,
            een, die en hem en mij dan moet bedekken.
            (Vertaling: Christinus Kops)

Daarmee wordt een derde paus aangekondigd die op deze plek in de hel een plaatsje zal krijgen, namelijk Clemens V, die onder meer als paus (1305-1314) aan de macht zou zijn gekomen door de Franse koning Filips de Schone om te kopen (met een deel van de belastingopbrengsten die hij als paus zou gaan ontvangen).

Canto XIX bevat wederom tal van mooie vergelijkingen, aardige woordspelingen en diepzinnige verwijzingen (naar klassieke mythologie en de Bijbel). Een enkel voorbeeld van zo’n woordspeling: de gesprekspartner die op de kop hangt, stelt zich met enige zelfspot als volgt voor:

Se di saper ch'i' sia ti cal cotanto,
che tu abbi però la ripa corsa,
sappi ch'i' fui vestito del gran manto;
e veramente fui figliuol de l'orsa,
cupido sì per avanzar li orsatti,
che sù l'avere e qui me misi in borsa.
 (Inferno XIX, 67-72)
Als ’t weten wie ik ben, zozeer u prikkelt,
dat gij daarvoor naar onder zijt gekomen,
zo weet, dat mij de grote mantel sierde.
Als echte nazaat van de beren-moeder,
begerig om haar welpen voort te helpen,
heb ‘k boven goud, en hier mezelf gebuideld.
(Vertaling: Christinus Kops)


Kort maar krachtig en in heldere beeldspraak vertelt hij dus dat hij de pausmantel droeg en zich als zodanig verrijkt heeft om zijn nageslacht van een goede toekomst te voorzien. De woordspeling zit hem in orsa, “berin”. Nicolaas III was afkomstig uit de oude Romeinse familie van de Orsini’s.

Dante steekt zijn afschuw niet onder stoelen of banken en prijst de hemel om deze gerechtvaardigde straffen, omdat juist de hebzucht van de Kerk “de goeden vertrapt en de slechten verheft” (calcando i buoni e sollevando i pravi). Vol hoon vraagt hij hem hoeveel geld Christus zou hebben gevraagd aan Petrus om zijn taak op aarde waar te nemen. Niets dan Hem te volgen! Blijf dus maar lekker zitten in je gat, zo gaat Dante verder, en hou het geld maar goed bij je.

Volgt nog een klaagzang over de Schenking van Constantijn, waaraan pausen hun aanspraken op – wereldlijke – macht ontleenden, en die veel later een vervalsing zijn gebleken. Vervolgens draagt Vergilius Dante weer omhoog naar het punt waar ze uitkijken over de vierde gracht.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen