zaterdag 1 januari 2011

100 dagen Dante (18): Shit happens! Oftewel: vleiers in de (beer)put

Geryon, het vliegende en draakachtige monster, dat als bewaker ervan Dante en Vergilius naar de achtste hellekring heeft vervoerd, is ook ontleend aan de mythologie. Deze achtste hellekring blijkt een naam te hebben, Malebolge, en is verdeeld in 10 grachten of valleien (dieci valli) die allerhande zondaars herbergen, namelijk die bedrog plegen “tegen mensen die niet op hen vertrouwen” (zie het al eerder gemaakte onderscheid in canto XI):

  1. verleiders
  2. vleiers
  3. simoniebedrijvers
  4. waarzeggers
  5. oplichters
  6. hypocrieten
  7. rovers en dieven
  8. valse raadgevers
  9. tweedrachtzaaiers
  10. vervalsers

In canto XVIII stuiten we op de eerste twee typen, de andere soorten zijn verdeeld over de nog volgende zangen.

De naam Malebolge wordt in de vertaling van Van Dooren niet toegelicht. In de vertaling van Kops wordt het vertaald met “boze Balgen”; in de toelichting merkt hij op dat bolgia veelal begrepen wordt als “zak”, vandaar de associatie met “blaasbalg”. Dat verduidelijkt het niet echt, dus we speuren verder in de Italiaanse edities. In de editie van Carlo Dragone (nomen est omen?) wordt in de toelichting vertaald met “male borse”, waarbij borsa een woord met vele verwante betekenissen is: “beurs, tas, zak”, ook in overdrachtelijke zin: avere le borse sotto gli occhi, “de wallen onder de ogen hebben”. Deze commentator koppelt de borse aan de 10 valleien of grachten van de achtste hellekring. Giovanni Fallani en Silvio Zennaro vertalen met sacche o fosse: resp. “zak” of “kuil, gat, grafkuil”. (In de moderne stripwereld blijkt Malebolgia een fictioneel karakter te zijn, gebaseerd op Dante’s Hel).

Het woord “groeven” wordt ook wel gebruikt voor de 10 ringen waarin deze hellekring is verdeeld:

In dat kwaadaardig land, precies in’t midden,
spert, wijd en diep, een put zijn kaken open;
zijn aard beschrijf ik u, als wij er komen.
De ruimte, die vanaf de rotsgevaarten
zich uitstrekt tot de put, is cirkelvormig.
De bodem is verdeeld in tien valleien.

De genoemde put is het diepste punt van de hel, waarnaar Dante alvast vooruit wijst, wat trouwens wel iets meer zegt over het vertelperspectief. Naast de doorgaans scenische weergave zien we hier de verteller met de wijsheid en kennis achteraf, die de tocht al in zijn geheel heeft doorgemaakt en het ons vertelt met een specifiek doel.

De kring wordt beschreven als een middeleeuws feodaal kasteel, met grachten ter bescherming en klippen die als smalle bruggen die erover heen leiden, “tot aan de put, die ze afknot en verenigt”. De gedoemden bewegen zich in groepen cirkelgewijs in tegenstelde richtingen ten opzichte van elkaar, vergelijkbaar met de pelgrims die Rome bezoeken in het jubeljaar 1300. Ze worden gegeseld door duivels.

Een van de “gestriemden” probeert zich af te wenden maar wordt toch herkend door Dante; het is Venedico Caccianimico, een inwoner van Bologna die zijn zus Ghisola verleidde/aanzette tot een intiem samenzijn met markies Obizzo d’Este, natuurlijk uit financiële motieven. Als hij te lang bij de reizigers blijft staan vertellen, ranselt een duivel hem met de woorden: “Mars, hoeremaker! / Hier zijn geen vrouwen, die je geld opbrengen.” De betreffende cirkel zit overigens vol met Bolognezen, met hun specifieke tongval, aldus de zegsman. Menig moderne vrouwenhandelaar en pornokoning zou niet misstaan in dit specifieke strafschopgebied.

Vanaf een oude brug kijken Dante en Vergilius neer op een andere groep gestraften, die in tegenovergestelde richting de rondgang maken onder wederom geselingen van allerlei kwelduivels. On der hen bevindt zich de antieke held Jason, bekend als veroveraar van het Gulden Vlies, die echter ook “met mooie praatjes en gedragingen” een jong meisje verleidt en zwanger achterlaat. Ook zijn latere vrouw Medea heeft hij weer in de steek gelaten, voor nog een andere vrouw. Beide vrouwen worden door de folteringen van Jason gewroken (anche di Medea si fa vendetta), die echter geen tranen vergiet voor deze straf: “hoe koninklijk is nog de indruk die hij maakt!” (quanto aspetto reale ancor ritene).

De tweede bolgia herbergt de zogenaamde vleiers: zij verkeren eeuwig in menselijke uitwerpselen en slaan zichzelf met de vlakke hand.

Le ripe eran grommate d'una muffa,
per l'alito di giù che vi s'appasta,
che con li occhi e col naso facea zuffa.
(Inferno XVIII, 106-108)
De wanden waren overkorst met schimmel,
daar opgetast door ’t dampen uit de diepte,
dat steeds in oorlog lag met neus en ogen.
(Vertaling: Christinus Kops)

en:

Quivi venimmo; e quindi giù nel fosso
vidi gente attuffata in uno sterco
che da li uman privadi parea mosso.

E mentre ch'io là giù con l'occhio cerco,
vidi un col capo sì di merda lordo,
che non parëa s'era laico o cherco.
(Inferno XVIII, 112-117)
We kwamen op de top, en in de groeve
zag ik een volk in vuil en drek gedompeld,
of ’t uit een aardse beerput kwam gekropen.

En met het oog rondspeurend daar beneden
zag ik een hoofd zo vuil, dat niets deed blijken,
of ’t aan een geestlijke of een leek behoorde.
(Vertaling: Christinus Kops)

Met andere woorden: ze zitten letterlijk zo diep in de shit, dat niet is te zien of het om een geestelijke of gewone burger gaat, je kunt namelijk niet zien of de persoon de tonsuur (kruinschering) draagt.

Verontwaardigd dat Dante specifiek naar hem kijkt, richt een van de schimmen zich woedend tot Dante. Het is een zekere Alessio Interminei uit Lucca, iemand die Dante zich herinnert. Hij moet een vleier bij uitstek zijn geweest, waarvoor hij hier dus gestraft wordt. Meer mededelingen krijgen we over hem niet.

Met Thaïs, “die liederlijke en zedeloze hoer” (quella sozza e scapigliata fante), die zich ook in deze tweede ommegang bevindt, wordt overigens niet de heilige Thaïs uit het 4e-eeuwse Egypte bedoeld (die figureert in een boek van Anatole France en een opera van Jules de Massenet), maar een naamgenoot uit het toneelstuk Eunuchus (een komedie) van de Latijnse dichter Terentius.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen