zondag 19 december 2010

100 dagen Dante (8): hoogmoedige politici


Dante was tijdens zijn leven een bevlogen politicus in Florence en had veel vijanden, met wie hij nog appeltjes te schillen en rekeningen te vereffenen had. Heel concreet komt in canto VIII een tijdgenoot van Dante ter sprake, die zich ook in de vierde kring bevindt. Hij heet Filippo Argenti, afkomstig uit een familie die Dante vijandig gezind was en die zich verzet hebben tegen zijn terugkeer ballingschap in Florence.

De situatie uit een van de vorige canto’s, namelijk dat Dante bekende tijdgenoten niet meer herkent door hun door zonden verwrongen gezicht, lijkt hier te zijn gespiegeld. Terwijl Dante en Vergilius over de “doodse slijkpoel” (la morta gora) varen in deze ommegang, grijpt een ziel zich aan hun bootje vast en ondanks dat deze helemaal onder de modder zit, wordt hij herkend:

E io a lui: «Con piangere e con lutto,
spirito maladetto, ti rimani;
ch'i' ti conosco, ancor sie lordo tutto».

Met enig sadisme verkneukelt Dante zich over ’s mans lijden – niets menselijks lijkt hem vreemd. Hij wil de man dan ook het liefst in de drab zien wegzinken, waarop Vergilius antwoordt:

 ‘Voordat de oever voor u opdoemt, zult ge tevreden worden gesteld: het is juist dat gij dat geniet wat ge verlangt.’ En even later zag ik hoe de man door de met modder besmeurde mensen (le fangose genti) zo werd toegetakeld dat ik er God nóg voor wil loven en danken.

De dwaze Florentijner gaat zelfs zichzelf te lijf met zijn tanden. Dante en Vergilius kijken vergenoegd toe. Voor ons lijkt dat wat in tegenspraak met de christelijke naastenliefde, gewend als we zijn aan de zachtmoedige God en Christus waarmee we opgegroeid zijn, maar Dante moet deze man zó gehaat hebben, dat hij zijn eigen weinig verheven wraakzucht hier heeft botgevierd onder het mom van Goddelijke rechtvaardigheid. Maar dan wel in een sublieme stijl:

Quei fu al mondo persona orgogliosa;
bontà non è che sua memoria fregi:
così s'è l'ombra sua qui furïosa.

Hij was een trotse kerel op de wereld.
Ik ken geen deugd, zijn heugnis nog omstralend:
daarom is hier zijn schim zo dol van woede.

Quanti si tegnon or là sù gran regi
che qui staranno come porci in brago,
di sé lasciando orribili dispregi!

Hoevelen wanen ginds zich grote heren,
Die hier eens staan als zwijnen in de modder,
Niets achterlatend dan een naam vol schande.

Deze man heeft zich dus vooral schuldig gemaakt aan de hoofdzonde van de hovaardigheid of hoogmoed.

Dante en Vergilius reizen verder en naderen de stad Dis, genoemd naar de god van de onderwereld bij de zowel Ovidius’ werk Metamorfosen als Vergilius’ eigen Aeneis (ontleend aan commentaar Frans van Dooren). Hier ligt de grens van de “bovenhel” met de “onderhel”. Dante ziet al in de verte de moskeeën rood gloeien, die in bredere zin staan voor de andere religies, die het in dit gesloten wereldbeeld natuurlijk bij het verkeerde eind hebben. Door het eeuwige vuur blinken ze je “somber rossig” tegemoet.

‘k Zag op hun tinnen zeker duizend geesten,
de hemel uitgevlaagd, die spijtig riepen:
“Wie is hij toch, die zonder dood te wezen
zijn voeten voort laat gaan door ’t rijk derd doden?”

Io vidi più di mille in su le porte
da ciel piovuti, che stizzosamente
dicean: «Chi è costui che sanza morte
va per lo regno de la morta gente?»

Deze geesten zijn gevallen engelen, die in het verre verleden in opstand zijn gekomen tegen God. Nu zijn ze gedoemd als duivels in deze hellekring te leven. Vergilius neemt het op zich om met hen te onderhandelen over de toegang tot Dis, om zo door de onderhel te kunnen reizen, maar hij komt vooralsnog van een koude kermis thuis. “De vijanden van ons gooiden de poorten dicht vlak voor de neus van mijn meester”, elke zelfverzekerdheid is dan even verdwenen bij Vergilius.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen