zaterdag 18 december 2010

100 dagen Dante (7): Hebzuchtige pausen en kardinalen

Aan het einde van Canto VI, die we gisteren gelezen hebben, voerden Dante en Vergilius een gesprek over het hiernamaals, waarna ze vervolgens afdaalden naar de volgende kring, de vierde dus. “En daar vonden we de grote vijand Pluto” (Hel VI, 115), waarmee zowel de heidense god Pluto (onderwereld) als Plutus (rijkdom) lijkt te worden aangeduid. Canto VII opent met een mysterieuze kreet uit de mond van deze godheid: “Pape Satàn, pape Satàn aleppe!”, waarvoor tot op heden nog geen echt goede verklaring is geleverd. Vergilius stelt Dante gerust dat dit monster hen niet zal tegenhouden en maant het monster zelf tot zwijgen met onder meer het argument dat ze het “boven in de hemel”zo willen.

Ze dalen dus verder af in de hel, “de onzalige oever, / die het kwaad van gans ’t heelal houdt ingebuideld” (più de la dolente ripa / che 'l mal de l'universo tutto insacca). Dante is wederom verbijsterd.

Wie kan zoveel onvoorstelbare smarten en pijnen opeenhopen als ik daar zag? En waarom worden wij voor onze zonden zo gruwelijk gefolterd?

Ze zijn aangekomen bij de zielen die geen maat hebben weten te houden met materiële bezittingen: óf ze verkwisten óf ze zijn te gierig. Hun straf bestaat eruit dat ze zware lasten voortwentelen, tegen elkaar opbotsen en vervolgens weer rechtsomkeert maken, als in een soort dans. Ze beschimpen elkaar met een refrein die hun zonde aanduidt (te veel vasthouden aan dan wel te makkelijk spenderen van geld). Een hellecirkel omvat hier dus tegenovergestelde zonden. Ook de hebzucht of gierigheid is een van de 7 hoofdzonden volgens de katholieke leer.

Met enige ironie merkt Dante op dat hij toch zeker wel heel wat van dit type zondaars zou moeten kennen, aangezien er ook heel wat geestelijken, ja zelfs pausen en kardinalen zich onder hen bevinden.Vergilius echter:

            Het eerloos leven, dat hen eens besmeurde,
            verduistert nu geheel hun aangezichten.
            (Hel VII, 53-54)

Volgt nog een moreel verhaal over de tijdelijkheid van vrouwe Fortuna die grillig mensen en volken voorspoed dan wel rampen toebedeelt.

Dante en Vergilius begeven zich naar de overkant, tot aan een kokende bron met water zwarter dan zwart, dalen een bijna onbegaanbaar pad af en komen uit bij een moeras dat als de Styx wordt aangeduid, een iets andere invulling dan in de Griekse mythologie.

E io, che di mirare stava inteso,
vidi genti fangose in quel pantano,
ignude tutte, con sembiante offeso.

Queste si percotean non pur con mano,
ma con la testa e col petto e coi piedi,
troncandosi co' denti a brano a brano.
(Inferno VII, 109-114)

En terwijl ik ingespannen keek, zag ik daar in die poel bemodderde mensen, die helemaal naakt waren en wier gezicht door toorn was verwrongen. Ze beukten op elkaar in, niet alleen met vuisten, maar ook met het hoofd en de borst en de voeten, waarbij ze bovendien nog met de tanden elkaars vel in stukken scheurden.

Dit zijn de zielen die zich tijdens hun leven schuldig hebben gemaakt aan de zonde van de gramschap (toorn, woede, wraak).  Bedroefd waren ze bij heldere lucht, die nog eens werd opgevrolijkt door de zon (Tristi fummo / ne l'aere dolce che dal sol s'allegra). Ze hebben hun leven verpest met negatieve emoties, zouden we tegenwoordig zeggen. Onder water moeten zich, aldus Vergilius, nog meer zielen bevinden die letterlijk stikken in hun woede, ze slikken modder (si gorgoglian ne la strozza).

Verder lopend tussen rotswand en slijkerige poel komen ze bij de voet van een toren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen