vrijdag 17 december 2010

100 dagen Dante (6): Vraatzucht

Aan het einde van canto V, na het horen van het droevige liefdesverhaal van Francesca en Paolo, valt onze held wederom om katzwijm, “zoals een dood lichaam neerstort”. Gelukkig komt hij ook weer bij en daalt hij samen met Vergilius naar de derde hellekring, waar de gestraften gekweld worden door een altijddurende ijskoude bui van regen, sneeuw en hagel, wat zorgt voor een zompige, stinkende bodem waarin ze half wegzakken. De vertaling van Frans van Dooren verwoordt dit mooi:

Ik bevond me in de derde hellekring, die van de eeuwige, vervloekte, ijskoude en zware regen, die altijd met dezelfde regelmaat en op dezelfde manier in stromen naar beneden komt. Dichte hagel, smerig water en natte sneeuw storten daar uit de donkere lucht neer op de stinkende grond, die alles opneemt.

Het zouden de winterse weersomstandigheden in de Lage Landen kunnen zijn, kijk maar naar buiten, maar voor deze warmbloedige Italiaan zullen het barbaarse omstandigheden zijn.

De zielen in deze kring worden gestraft voor hun gulzigheid en inhaligheid tijdens hun leven. Daarmee zijn we, na de wellust aan een van de volgende hoofdzonden volgens de christelijke leer van toen toegekomen. Andere aanduidingen zijn ook wel vraatzucht en onmatigheid. Dat lijkt wel een centraal idee in de filosofie van dit werk: op welk terrein ook, als mensen de matigheid uit het oog verliezen, betekent dat vaak hun ondergang en de teloorgang van hun ziel.
De hel van Dante - Sandro Botticelli
De uitzichtloze toestand, waaronder ze lijden, wordt nog versterkt doordat Cerberus, de monsterachtige hellehond met de drie koppen, de zielen periodiek in stukken scheurt:

Cerbero, fiera crudele e diversa,
con tre gole caninamente latra
sovra la gente che quivi è sommersa.

Li occhi ha vermigli, la barba unta e atra,
e 'l ventre largo, e unghiate le mani;
graffia li spirti ed iscoia ed isquatra.

In de vertaling van Christinus Kops:

En Cerberus, een wreed, wanstaltig monster,
bast met drie kelen, zoals honden bassen,
de schimmen aan, daar in het slijk gedompeld.

Rood zijn zijn ogen, zwart zijn baard en glimmend,
plomp is zijn buik, zijn handen zijn slechts klauwen;
hij grijpt de geesten, vilt ze en verscheurt ze in vieren.

Een zeker plezier in het schilderen van deze pijniging kan hem niet ontzegd worden. Cerberus blaft zodanig tegen de zielen, dat ze nog liever doof waren (ch'esser vorrebber sorde). Hij laat ook de reizigers zijn tanden zien, “geen enkel lid dat niet van woede siddert” (non avea membro che tenesse fermo). Als Vergilius hem wat aarde toewerpt, is het beest stil, “want op dat moment is hij er alleen nog maar op uit het voedsel te verslinden”. Daarmee laat Dante zien dat dit beest bij uitstek het symbool is van de vraatzucht.

Een van de zielen richt zich op en vraagt of Dante hem niet herkent. Dante ontkent en merkt op dat mogelijk door de pijnigingen de ander niet meer herkenbaar is. Wat we later vaker nog zien is dat Dante met sardonisch plezier tijdgenoten laat optreden in zijn helletocht. Deze ziel heet Ciacco, wat volgens de commentatoren in het florentijns (de taal van Dante) ook “varken” betekende. Deze Ciacco doet een voorspelling over de politieke gebeurtenissen in Florence, waar Dante in het werkelijke leven nauw bij betrokken was. Bloedbaden, verdriet en schande zullen de stad beheersen, er zijn maar twee rechtvaardigen, “maar hun stem wordt niet gehoord”. Waarschijnlijk rekent Dante zichzelf tot een van die twee; tijdens zijn leven werd hij om politieke redenen uit Florence verbannen, wat hem bitter heeft gestemd.

Volg nog een gesprek over het hiernamaals. Op de vraag van Dante of de na het laatste oordeel de kwellingen toe- of afnemen, dan wel gelijk blijven, antwoordt Vergilius dat hij zich moet richten tot de filosofie, die alle antwoorden in zich herbergt:

Ed elli a me: «Ritorna a tua scïenza,
che vuol, quanto la cosa è più perfetta,
più senta il bene, e così la doglienza.

Tutto che questa gente maladetta
in vera perfezion già mai non vada,
di là più che di qua essere aspetta».

De vertaling van Kops zorgt verduidelijkt het hier toch al niet heel eenvoudige Italiaans niet zo erg, Van Dooren maakt het helder:

‘Keer terug naar de kennis die gij hebt: zoals gij weet, leert de filosofie dat iets, naarmate het volmaakter is, niet alleen het goede meer voelt, maar ook het kwade. Hoewel deze verdoemden de ware volmaaktheid nooit zullen bereiken, verwachten ze toch na het oordeel meer volmaakt te zijn dan ervoor.’

En dus ook meer te voelen van hun ellende?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen