donderdag 16 december 2010

100 dagen Dante (5): Die dag lazen wij niet verder

Toen ik begin jaren ’90 in een badplaats aan de Adriatische kust verbleef, raadde de hotelier ons aan het kasteel te Gradara te bezoeken, waar zich de romantische geschiedenis van de noodlottige overspelige liefde tussen Francesca da Rimini en Paolo Malatesta zou hebben afgespeeld. Betrapt door de rechtmatige echtgenoot Giovanni, broer van Paolo, werden beide geliefden vermoord. De locale mythe vertelt dat de geest van Francesca er nog steeds zou ronddwalen en haar klachten te horen zouden zijn.

Deze wonderlijke geschiedenis, die volgens mij elke Italiaan kent, is in de literatuur en de kunsten vaak verbeeld (denk aan het orkeststuk Francesca da Rimini van Tsjaikovski), maar het bekendste is het verhaal geworden doordat Dante hen ontmoet in de hel, in de tweede ring (zie Canto V), waar de vleselijke zondaars verblijven, die hun verstand ondergeschikt maakten aan hun driften (i peccator carnali, / che la ragion sommettono al talento), de mensen die hun lusten niet konden bedwingen en daardoor gezondigd hebben tijdens hun leven. Hun marteling bestaat eruit dat zij door een wind met orkaankracht voortdurend worden voortgeblazen:

La bufera infernal, che mai non resta,
mena li spirti con la sua rapina;
voltando e percotendo li molesta.

De helse orkaan, die nimmer weet van rusten,
sleurt in zijn woeste vaart de geesten mede
en kwelt ze door ze als razend rond te zwepen.
(De Hel V, 31-33)

Het geklaag en geween zorgen voor ontzetting bij Dante. Geen hoop geeft hun opluchting (nulla speranza li conforta mai), zelfs geen vermindering van pijn. Het is een koude, harde omgeving waar ze voor eeuwig moeten verblijven. De zon, het licht komt er nooit.

Wie komen we daar allemaal tegen? Semiramis, die in bloedschande leefde met haar zoon. Cleopatra, “van wellust brandend”. Helena, “door wie een reeks van jaren / in leed verging” (per cui tanto reo / tempo si volse), om haar werd de oorlog om Troje uitgevochten. Ook degene die haar schaakte, de Trojaanse prins Paris, komen we tegen. Vervolgens Achilles, die te midden van de Grieken tegen Troje heeft gevochten, zijn liefde voor Polyxena, de dochter van de Trojaanse koning Priamos, werd hem noodlottig: ook hij liet zijn driften het verstand overheersen. Dido, de tragische heldin uit Vergilius’ epos Aeneïs. Het middeleeuwse liefdespaar Tristan en Isolde, die de dood vonden als gevolg van hun niet te genezen verlangen naar elkaar.

En dan uiteindelijk Francesca en Paolo. Dante wil hen spreken en roept hen naderbij. Ze lijken blij met de aandacht en vertellen hem welwillend hun verhaal. Ik citeer hier wat langere stukken, alleen al vanwege de schoonheid van de poëzie. Paolo vertelt:


De moordenaar wacht de diepste plek in de hel, zo verwacht hij. Hoe zijn Francesca en hij dan tot hun overspelige liefde gekomen? Dante wendt zich tot Francesca en beklaagt haar lot met veel emotie:


En dan komt een verklaring die moderne lezers misschien wat al te fantastisch klinkt: door een boek. Maar wie kan niet ontroerd zijn door een romantische film of mooie muziek? Het duo was om de tijd te verdrijven een boek aan het lezen, en wel de romantische geschiedenis van Lancelot, ridder van de Ronde Tafel, die verliefd werd op Guinevere, de vrouw van koning Arthur. Dante verwerkt hier dus ook romanstof uit de in die tijd zeer geliefde keltische ridderromans, meestal gecentreerd rond koning Arthur of een van zijn ridders. Het verhaal van de overspelige liefde van Lancelot en Guinevere verleidt ook dit koppel:



Dat ze de ogen opslaan en dat hun gezicht van kleur verandert tijdens de ontdekking van elkaars liefde is trouwens een middeleeuwse gemeenplaats, een motief dat in vele teksten uit die tijd is terug te vinden. Eigenlijk wordt de schrijver van die Lancelot roman verantwoordelijk gesteld voor hun overspel. Ze raken verstrikt in het verhaal en daardoor in hun onwettige liefde. Over de kracht van literatuur gesproken!

Dit verhaal van Francesca en Paolo heeft mij altijd erg geïntrigeerd en halverwege de jaren ’90 ontstond er uit mijn hand een kleine cyclus van (helemaal niet zo’n goede) gedichten, met dit verhaal als Leitmotiv. De eerder geciteerde dichtregel “Amor condusse noi ad una morte” gebruikte ik als titel met een kleine verandering: noi (ons) vervangen door voi (jullie), zodat het perspectief dat van de toeschouwer werd, die dit verhaal overdacht. De slotregel van dat gedicht luidde: “Die dag lazen zij niet verder”, een parafrase van de laatste regel uit het citaat hierboven. In dezelfde tijd verscheen een bundel essays over poëzie van Kees Fens, van wie ik nog les heb gehad, onder de titel Die dag lazen wij niet verder (Querido, 1996). Toeval bestaat niet, maar hoe het zo gekomen is, ik weet het niet. Synchroniciteit?


1 opmerking: