woensdag 15 december 2010

100 dagen Dante (4): heidenen in de hel

In canto IV stuiten we op een filosofisch-theologisch probleem, dat al twee milennia mensen bezighoudt: wat is het lot van de niet-gelovigen, ook al kunnen ze er feitelijk niets aan doen dat ze niet het juiste geloof hebben, bijvoorbeeld omdat ze nooit gedoopt zijn (vrij essentieel in het katholicisme), of omdat ze niet van het bestaan van Christus op de hoogte zijn. En wat moet er met al die mensen die vóór de christelijke openbaring geleefd hebben, zoals de door Dante bewonderde klassieke, maar heidense, dichters uit de Oudheid?

In de vorige canto raakte Dante buiten bewustzijn, bij het begin van deze canto is hij weer bij zinnen en blijkt op mysterieuze wijze de Acheron te zijn overgestoken, zonder dat hij er met zijn verstand bij was. Dante en Vergilius staan aan de rand van de in 9 cirkels toelopende diepte, “die in een donderend geraas vervuld is van eindeloze jammerklachten” (valle d’abisso dolorosa / che truono accoglie d’inifiniti guai).

Ze vervolgen hun tocht en komen in de eerste hellekring (de bovenste en dus het verst verwijderd van Lucifer). Vergilius verbleekt, maar naar eigen zeggen is dat uit medelijden met het lot van de verdoemden en niet uit vrees (quella pietà che tu per tema senti). In deze eerste cirkel klinkt slechts een zacht gezucht (sospiri), dat de eeuwige lucht doet trillen (che l’aura etterna facevan tremare). Zij worden niet lichamelijk gepijnigd, want zij hebben tijdens hun leven niet gezondigd, ze waren slechts van het verkeerde geloof. In onze moderne oren klinkt het als een absurde redenering, dat deze mensen dan toch in de hel kwamen, al is het dan maar in de eerste cirkel. Duisternis is hun deel en zij zullen de heerlijkheid van God nooit aanschouwen. Voor Dante en zijn middeleeuwse tijdgenoten zal dit wellicht ook problematisch zijn geweest, maar het was tegelijkertijd ondenkbaar dat ongedoopten en ongelovigen (“heidenen”) in de hemel zouden komen.

Hoe graag hij het mogelijk had gedaan, maar Dante kon onmogelijk zijn helden Vergilius, Homeros, Ovidius, Lucanus en Horatius in de hemel plaatsen. Om ze toch te eren in zijn grootse epische werk komen ze in dit deel van de hel uitgebreid aan bod. Het dreigt zelfs een gezellig theekransje te worden, waarin hij zich zelf – bescheiden als hij is – een plaats tussen de grote idolen toekent:

Così vid' i' adunar la bella scola
di quel segnor de l'altissimo canto
che sovra li altri com' aquila vola.

Da ch'ebber ragionato insieme alquanto,
volsersi a me con salutevol cenno,
e 'l mio maestro sorrise di tanto;

e più d'onore ancora assai mi fenno,
ch'e' sì mi fecer de la loro schiera,
sì ch'io fui sesto tra cotanto senno.

In de prozavertaling van Van Dooren: “En zo zag ik daar dus het schone gezelschap bijeen van Homerus, die meester der epische poëzie, die zich als een adelaar boven de anderen verheft. Nadat ze even met elkaar hadden gesproken, wendden ze zich naar mij, waarbij ze me vriendelijk toeknikten, iets wat mijn meester een glimlachje ontlokte. En ze bewezen me nog veel meer eer, want ze namen mij in hun gezelschap, zodat ik de zesde was temidden van al die wijsheid.” (Inferno IV, 94-102).

Verbazingwekkender is nog dat Adam, Gods eigen schepsel, en diverse figuren uit het Oude Testament (koning David, Abel, Noach en Mozes), dus van voor Christus, ook op deze plaats zijn geweest. Zij zijn echter, op een moment in de (heils)geschiedenis door “een machtig Heerser” (Jezus Christus wordt natuurlijk bedoeld) gered en zalig (beati) gemaakt. Zo is er dan toch een achterdeurtje in het filosofische systeem bedacht om de joodse figuren die ook van belang zijn voor het christelijke geloof uiteindelijk toch in de hemel te krijgen. Maar, onthoud wel: “Maar vóór die tijd (…) / is nooit een mensenziel verlost geworden.”


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen