donderdag 30 december 2010

100 dagen Dante (17): De achtbaan van de hel


Tegenwoordig is wel bijna elke tienjarige in een groot Nederlands of Duits pretpark geweest en heeft daar de sensatie ondervonden van het gevoel volledig van de aarde los te komen en naar beneden te suizen in attracties die dan ook namen dragen als “Python” of “Black Mamba”, naar de gruwelijke slangenmonsters die we ons daarbij voorstellen. Voor menigeen is het zelfs al zodanig gesneden koek dat hij er zijn hand niet voor omdraait.

Voor de middeleeuwer Dante ligt dat heel anders. Als hij, aan de rand van de zevende hellekring (in de derde cirkel) gekomen, onder aansporing van Vergilius een “monster” moet beklimmen die als “trap” moet dienen naar de volgende hellekring, dan heeft hij – eufemistisch gezegd – zo zijn reserves, sterker nog hij doet het flink in zijn broek:


Qual è colui che sì presso ha 'l riprezzo
de la quartana, c'ha già l'unghie smorte,
e triema tutto pur guardando 'l rezzo,
tal divenn' io a le parole porte;
(Inferno XVII, 85-88)
Gelijk een man, die ’t koortsvuur op voelt komen,
zodat de bloed al wegtrekt van zijn nagels
en hem het zien van de schaduw al doet beven,
zo ging het mij, toen ik hem hoorde spreken;
(Vertaling: Christinus Kops)


En verderop:

Maggior paura non credo che fosse
quando Fetonte abbandonò li freni,
per che 'l ciel, come pare ancor, si cosse;
né quando Icaro misero le reni
sentì spennar per la scaldata cera,
gridando il padre a lui «Mala via tieni!»,
che fu la mia, quando vidi ch'i' era
ne l'aere d'ogne parte, e vidi spenta
ogne veduta fuor che de la fera.
(Inferno XVII, 106-114)
Niet groter, gis ik, was eens de angst en ’t beven,
toen Phaëton de tomen los plots liet schieten,
zodat, als steeds nog blijkt, de lucht ontbrandde,
noch toen de onzalige Icarus door ’t smelten
van ’t zachte was de schouders voelde ontvleuglen
en ’s vaders angstkreet klonk: ‘je valt te pletter,’
dan nu mijn vreze was, toen ik bespeurde,
hoe louter lucht me omringde en ‘k alle dingen
verneveld zag, het monster uitgezonderd.
(Vertaling: Christinus Kops)


Het monster, Geryon genaamd, heeft deels het uiterlijk van een mens, een betrouwbaar uitziend mens zelfs, maar heeft de klauwen van een leeuw en het lijf van een slang, met bovendien een staart die uitloopt in een punt, die weer aan een schorpioen doet denken. Middeleeuwers zijn gek op fabeldieren en dissen in hun “normale” reisverslagen al verhaaltjes over de meest fantastische creaturen op, de hel leent zich klaarblijkelijk voor nog meer tot de verbeelding sprekende monsters.

Griezelen om vervolgens er een les uit te trekken, want zoveel mag wel duidelijk worden: het monster is symbool voor het bedrog. Die symbolische interpretatie wordt op verschillende plaatsen in de tekst aangereikt: het monster is het “afzichtelijke beeld van het bedrog” (quella sozza imagine di froda, vs. 7), heeft een “aangezicht […] als van vrome lieden” (La faccia sua era faccia d'uom giusto, vs. 10) en een mooi versierde flanken met krullen die ook te interpreteren zijn als de fraaie verzinsels waarmee het bedrog meestal werkt.

            Tartaar noch Turk vond ooit zo’n kleurenweelde
            voor de inslag en de schering van tapijten;
            op zulke weefsels zwoegde nooit Arachne.

Over weefsels gesproken: op ingenieuze manier worden ook allerlei mythen en sagen in het verhaal verweven. We zagen eerder al de verwijzingen naar Phaëton, ontleend aan onder meer Ovidius (een veel bewerkt en opnieuw verteld verhaal, ook in de Nederlandse literatuur – zie het toneelstuk van Vondel) en naar het bekende motief van “de val van Icarus”, eveneens veelvuldig herverteld en weergegeven in de beeldende kunst. In het laatste citaat zien we een verwijzing naar het verhaal van Arachne, die zo goed kon weven dat ze zelfs de godin Athene uitdaagde en won, die op haar beurt not pleased was en haar voor straf veranderde in een spin, waaraan wij nog onze arachnafobia hebben overgehouden.

Voor de zondaars in deze cirkel, de woekeraars, heeft Dante grote verachting. Eigenlijk schenkt hij er alleen aandacht aan omdat Vergilius hem ertoe maant, om een compleet beeld te krijgen, om wat algemene kennis op te doen. Deze zondaars, voornamelijk stadgenoten van Dante, worden feitelijk niet bij naam genoemd en alleen aangeduid via de familiewapens op de tas die ze om hun nek dragen, geobsedeerd als ze zijn met geld en het – volgens de middeleeuwse kerk – op oneigenlijke manier verkrijgen daarvan. Ze zijn gedoemd in het hete zand te zitten en kunnen zich nauwelijks verweren tegen “het vreeslijk vuur der smarten”.

Dante stapt dan, ondanks zijn angst, toch maar op de rug van het monster, met Vergilius (het verstand) achter zich, ter bescherming tegen de giftige staart (van het bedrog). In prachtige poëtische beelden wordt de vlucht naar de achtste hellekring geschilderd. Een enkel voorbeeld:

Zoals een schip bij het vertrek langzaam achteruit van het strand de zee opvaart, zo maakte ook dat monster zich toen los van de rotsen. En zodra het zich volledig vrij in zijn bewegingen voelde, draaide het om, en wel zo dat op de plaats waar eerst de borst was nu de staart kwam. Nadat het deze had gestrekt, bewoog het hem als een aal heen en weer, terwijl het met zijn geklauwde voorpoten de lucht naar zich toehaalde.
(Vertaling: Frans van Dooren)

Dat is het, eerder aangehaalde, moment dat het Dante vergaat van de angst. Als in een langzame, brede zwembeweging gaan ze omlaag op de rug van Geryon, en ze komen veilig aan op de bodem van de volgende hellecirkel.

Ik citeer nog een stukje uit de vertaling van Christinus Kops, het is allemaal indrukwekkend mooi:

En langzaam, langzaam gaat het zwemmend verder,
het tolt en daalt, schoon ik het niet ontwaarde
dan aan de wind om mijn gelaat en benen.
Reeds hoorde ik rechts, diep onder onze voeten
de maalstroom dondrend naar beneden vallen;
en mèt mijn ogen neigde ik ’t hoofd naar onder.
Toen werd ik voor de diepte nog beduchter,
want vuren zag ik en ik hoorde snikken;

En wat ze zien is een onbeschrijfelijk lijden “door de grote plagen” (per li gran mali). Het lijkt een bad trip, een hallucinerend ritje in de achtbaan in de richting van het diepste punt van de hel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen