woensdag 29 december 2010

100 dagen Dante (16): Mijn preutse vrouw was het grootste kwaad van alles

Zoals we in de vorige canto hebben gezien, verkeren Dante en Vergilius onder de "tegennatuurlijke zondaars". Ondanks de bijbelse/christelijke afkeuring hiervan, lijkt Dante een aantal van hen met veel sympathie te schilderen. Zie het verhaal van Brunetto Latini gisteren. Zie ook de rechtvaardiging die Jacopo Rusticucci, een stadgenoot van Dante, geeft: "mijn preutse vrouw was 't grootste kwaad van alles". Van Dooren becommentarieert: "zijn vrouw zou zo'n serpent geweest zijn dat hij het hele vrouwelijke geslacht begon te haten en uiteindelijk bij de 'tegennatuurlijke' liefde terecht kwam". Met andere woorden: er zijn verzachtende omstandigheden, het is minder "erg". Dante toont dan ook geen verachting maar medelijden met hun lot en noemt hen "achtenswaardige" mensen.

Dat neemt niet weg dat deze mensen zondaars blijven en dat zij in de hel verschrikkelijk worden gestraft; wat dat betreft wankelt het middeleeuwse wereldbeeld niet voor Dante: "beregend door woeste martelvlammen" (sotto la pioggia de l'aspro martiro) en wonden "nieuwe en oude, hun door de vlammen in het lijf gesneden" (ricenti e vecchie, da le fiamme incese).

Omdat de drie schimmen die zich bij hen vervoegen, net als Latini in de vorige canto, niet stil mogen blijven staan (op straffe van 100 jaar blijven liggen), dansen ze als het ware in een kringetje om Dante heen. Ze willen weten hoe het er met Florence voorstaat (de zielen kunnen immers wel in de toekomst maar niet in het heden kijken). Dante's antwoord is niet vrolijk stemmend en heeft betrekking op overmatige trots en buitensporigheid.

Als Dante en Vergilius verder trekken, horen ze het geruis van water (een bijbels motief!). Vergelijkingen worden gemaakt, waaronder met San Benedetto, waar nog steeds een bekend Italiaans bronwater vandaan komt. Zie ook een van de toeristische sites over deze plek.

Vergilius gooit een koord uit en lijkt daarmee een "teken" te geven. Daarop stijgt er zwemmend uit de afgrond een gruwelijk monster op, "een gedaante [...], die zelfs het meest onverschrokken hart van huiver zou hebben vervuld" (una figura in suso, / maravigliosa ad ogne cor sicuro).

En dit spannende moment is een plek bij uitstek voor: "Wordt vervolgd" (in canto XVII).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen