maandag 27 december 2010

100 dagen Dante (14): de honger naar kennis te stillen

Aan het einde van het donkere woud (“het bos van smarten”) gekomen komen Dante en Vergilius aan bij een hete zandvlakte, die de derde cirkel van de zevende hellekring vormt, “een punt vanwaar men de gruwelijke uitwerking van Gods gerechtigheid in alle duidelijkheid kan aanschouwen” (dove / si vede di giustizia orribil arte). De vlakte is een woestijn in zijn meest barre vorm, waar zich grote drommen naakte zielen bevinden die hartverscheurend huilen (D'anime nude vidi molte gregge / che piangean tutte assai miseramente). Over heel het zand daalt traag en voortdurend een regen van brede vuurvlokken omlaag, “zoals sneeuw in de bergen als er geen wind staat” (come di neve in alpe sanza vento). Uit alle macht proberen de gestraften het vuur van zich af te slaan, maar het is natuurlijk vergeefse moeite. Het zand ontbrandt zelf ook en dus worden de zielen a.h.w. dubbel gestraft.

Ze ontmoeten de Capaneus, een mythologische reus die destijds bij de slag om Thebe (Griekse oudheid) door de oppergod Jupiter [= bij de Grieken Zeus], die hij lasterde, met behulp van de bliksem gedood. Nog steeds volhardt hij in zijn minachting voor God en ontkent hij dat hij lijdt onder deze straf. Vergilius maakt via een wat omslachtige redenering duidelijk dat juist dit volharden in honende minachting de grootste straf is voor deze zondaar.

Na met Capaneus gesproken te hebben lopen beiden zwijgend verder en komen bij een dampend riviertje dat – wederom – geheel rood gekleurd is en merkwaardigerwijs de vlammen boven zich dooft (che sovra sé tutte fiammelle ammorta). Op die plaats, die van steen is en waarop de vlammen geen vat krijgen, steken ze de zandvlakte over.

Dante vraagt nog aan Vergilius zijn honger naar kennis te stillen. Volgt een heel verhaal over Kreta: het glorieuze verleden tegenover het eigentijdse verval, waarin de antieke metaforen van gouden, zilveren, bronzen en lemen tijdperk worden uitgewerkt en gekoppeld aan wat de mythologie vertelt over de geboorte en het opgroeien van Jupiter, zoon van Saturnus en Rhea. Wat Dante hiermee bedoeld heeft, is mij niet helemaal duidelijk. De commentatoren lichten de details en verwijzingen wel toe, maar waar heeft Dante het over? Waarom staat dit verhaal hier? Om een verklaring te geven van het ontstaan van de rivieren van de onderwereld?

Volgens eerdere opmerkingen (canto XI) zouden in deze cirkel zich de godslasteraars, woekeraars en tegennatuurlijke zondaars bevinden, maar alleen de eerste soort komt hier aan bod. De tegennatuurlijke zondaars komen in canto XV aan bod, de woekeraars in canto XVI. Dat is opvallend: waar eerder een canto een hele hellekring bestreek, of in minstens een van de binnencirkels, wordt nu de evocatie van een van die cirkels over drie gezangen uitgesmeerd. We zullen nog zien of dit betekent dat we er speciaal belang aan moeten hechten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen