zondag 26 december 2010

100 dagen Dante (13): In het vreselijk woud komt lijf naast lijf te hangen

Dante en Vergilius komen in de tweede cirkel van de zevende hellekring, dat uit een donker woud bestaat. Aan het begin hebben we gezien dat het donkere woud, buiten de hel, symbolisch te interpreteren was voor Dante’s mentale toestand, “afgeweken van de rechte weg”. Maar dit woud  blijkt nog donkerder dan toen, en dichter dan de toenmalige wouden van de Maremma (in het zuiden van Toscane):

Non fronda verde, ma di color fosco;
non rami schietti, ma nodosi e 'nvolti;
non pomi v'eran, ma stecchi con tòsco.
Non han sì aspri sterpi né sì folti
quelle fiere selvagge che 'n odio hanno
tra Cecina e Corneto i luoghi cólti.
Niet groen, maar grauw van kleur was daar het lover;
niet glad de takken, maar gedraaid en knoestig;
geen vruchten daar, maar gif-beladen dorens.
In zulke dichte en sombre wouden huizen
de wilde dieren niet, die van Corneto
tot Cecina ’t bewoonde land ontwijken.
[Vertaling: Christinus Kops]

Hier nestelen zich de Harpijen, grote roofvogels met mensenhoofd, die ook in Vergilius’ meesterwerk Aeneïs voorkomen. Het is opvallend hoeveel verwijzingen naar het grote epos van Vergilius ook weer in deze zang zijn te vinden – Dante moet hem erg bewonderd hebben, wat ook blijkt doordat hij hem voortdurend aanspreekt als “de wijze”, “de leidsman”, “de meester”. Verderop pleit Vergilius ervoor dat Dante goed moet opletten, aangezien hij hem op zijn woord wel niet zal geloven, wat niet alleen verwijst naar de huidige situatie waarin ze zich bevinden maar ook naar de woorden van Vergilius in de Aeneïs.
Links een goedkope maar van rijk commentaar voorziene Italiaanse studie-uitgave van de Divina Commedia; rechts de door mij gebruikte vertaling door Christinus Kops O.F.M. / Gerard Wijdeveld
Ze horen gekerm en gekreun in het bos. De bomen blijken de omhulsels te zijn van gestrafte zielen, namelijk van die mensen die tijdens hun leven de hand hebben geslagen aan zichzelf (zelfmoordenaars) of aan hun bezittingen (de overvloedige verkwisters). Om Dante het zelf te doen ontdekken (anders zou hij het toch niet geloven), spoort Vergilius hem aan om ergens een takje af te breken, wat onmiddellijk resulteert in getier en gekerm: de betreffende boom blijkt ook te bloeden. Van deze wat onbarmhartige aansporing krijgt Vergilius weer snel spijt (hij wist immers), maar hij rechtvaardigt het als volgt:

“Als hij weleer geloof had kunnen schenken,
gekrenkte ziel,” hernam mijn wijze meester,
“aan wat hij eens aanschouwd heeft in mijn verzen,
nooit had zijn hand zich aan uw stam vergrepen;
[Vertaling: Christinus Kops]

Op verzoek van Vergilius vertelt de ziel wie hij is. Het blijkt de belangrijkste adviseur van keizer Frederik II, de secretaris Pier della Vigna te zijn,  “die eertijds droeg de beide sleutels / van Frederiks hart” (colui che tenni ambo le chiavi / del cor di Federigo). Hij had met andere woorden volledige toegang tot het hart en dus de beslissingen van de keizer en verwierf zich daarmee tegelijk de hatelijke jaloezie van vele anderen. Ten val gekomen en opgesloten maakt hij een einde aan zijn leven, en daarom bevindt hij zich op deze onzalige plek in de hel. De ziel wordt van bovenin de hel door koning Minos (zie canto V) naar beneden geworpen en ontspruit op een willekeurige plek in dit bos als struik of boom. De boosaardige harpijen veroorzaken vele wonden en pijn, elke keer weer.
Links nog een Italiaanse studie-uitgave, met modern Italiaanse "ondertiteling"; rechts de prozavertaling van Frans van Dooren die ik gebruik.
Net als alle andere zielen zullen ook deze zielen op de dag des oordeels weer hun omhulsel (het lichaam) ophalen, maar in tegenstelling tot die andere zielen zullen deze zich er niet mee bekleden, “men kan immers geen recht van eigendom doen gelden op iets waarvan men zichzelf berooft” [vertaling: Frans van Dooren].

Qui le strascineremo, e per la mesta
selva saranno i nostri corpi appesi,
ciascuno al prun de l'ombra sua molesta

Hier sleuren wij ’t dan heen, en allerwegen
in ’t vreeslijk woud komt lijf naast lijf te hangen,
elk aan ’t struweel, dat reeds zijn schim omkerkert.
[Vertaling: Christinus Kops]

Plots worden Dante en Vergilius opgeschrikt door twee zielen die opgejaagd en verscheurd worden door wilde honden. Het blijken beruchte verkwisters te zijn uit Siena en Padua, waarvan er de eerste zelfs zijn leven wilde opgeven door deel te nemen en iets te langzaam te vluchten in de slag bij de Toppo. Ironisch merkt zijn kompaan dan ook op: “Zo snel droegen uw benen u niet, Lano, toen ge in gevecht bij de Toppo wegvluchtte.” Het verbergen achter een struik helpt niet, ook hij wordt aan stukken gescheurd. De struik jammert dat hij hier toch geen deel aan had, waarom dan te lijden van deze achtervolging? Het blijkt een Florentijn te zijn die zich in zijn eigen huis had opgehangen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen