woensdag 22 december 2010

100 dagen Dante (11): De hel in laagjes

De Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) wordt wel beschouwd als de belangrijkste grondlegger van het westerse denken. De Britse filosoof Alfred North Whitehead zou over hem gezegd hebben: “De filosofie van de laatste tweeëneenhalf duizend jaar is niets dan een voetnoot bij Plato.” Nu is dat de helft van de waarheid, de andere helft heet namelijk Aristoteles, wiens leven (384-322 v.Chr.) dat van Plato deels overlapte. Aristoteles was ook leerling aan de academie van Plato, maar zijn filosofie heeft zich in bepaalde opzichten in tegenstelde richting ontwikkeld. Onderstaand overzicht is schematisch en noodzakelijkerwijs een vereenvoudigde weergave van hun denken:

Plato
Aristoteles
het abstracte
het concrete
het onzichbare achter de dingen (metafysica), het principe, de wereld der Ideeën
de dingen in de wereld (fysica), de verschijnselen zoals ze zich aan ons voordoen
het hogere en hemelse
het aardse
rationalisme, geestelijke schouwing
empirisme, zintuiglijke waarneming
dualisme, lichaam tegenover ziel
ziel is onverbrekelijk met het lichaam verbonden
eenheid
veelheid
“geestelijk”
“lichamelijk”

De geschiedenis van de westerse filosofie wordt door sommigen wel eens gezien als een voortdurende wisselwerking van bovenstaande schema’s waarin dan “Plato” en dan weer “Aristoteles” de boventoon voert. In de middeleeuwen (globaal van 500 tot 1500) is dat ook duidelijk te zien. In de vroege middeleeuwen is bijna alle denken Platonisch van karakter, maar rond 1100 zijn er veranderingen te zien: in de loop van de 12de en 13de eeuw schakelen aan de universiteiten steeds meer geleerden over op een Aristotelische manier van denken, wat door sommigen als de eerste wetenschappelijke revolutie wordt gezien (dus ruim vóór die van de 17de eeuw). Ook in de theologie (“godsbewijzen”) wordt een wetenschappelijker manier van denken nagestreefd. Een boek dat dit op toegankelijke wijze uiteenzet is Richard Rubenstein, Kinderen van Aristoteles: Hoe christenen, moslims en joden verlichting brachten in de donkere Middeleeuwen (Anthos, 2004).

Het zal geen verwondering wekken dat ook Dante, die zijn werk rond 1300 schreef en goed op de hoogte moet zijn geweest van het eigentijdse denken, beïnvloed is door Aristoteles. In directe zin is dit terug te zien aan de letterlijke verwijzingen naar twee boeken van Aristoteles, de Ethica Nicomachea en de Physica (Canto XI, regel 80 resp. 101). Minder direct, maar toch in het ooglopend voor wie Aristoteles een beetje kent, blijkt het uit de systematische manier waarop de hel bij Dante is ingedeeld: 9 hellekringen (cerchi) die soms op hun beurt zijn ingedeeld in “cirkels” of “ommegangen” (gironi). En in deze kringen zijn categorieën van zondaars bij elkaar gezet – het woord categorie is bij uitstek een woord dat bij de indelingsneiging van Aristoteles hoort, die ook alles wat hij behandelt systematisch in drie vormen, twee aspecten, vier principes of zeven argumenten opdeelt.

In de vorige zang waren Dante en Vergilius namelijk aangekomen bij de rand van een diepe afgrond, waaruit een stank opsteeg, zó sterk dat meteen verder afdalen onmogelijk was. Om er geleidelijk aan te wennen, besluit het reizende duo even halt te houden en de tijd nuttig te gebruiken voor wat kennisoverdracht, zoals wij dat zouden zeggen. Ze hebben zes eerdere hellekringen achter de rug, beneden hen liggen er nog drie:

«Figliuol mio, dentro da cotesti sassi»,
cominciò poi a dir, «son tre cerchietti
di grado in grado, come que' che lassi.

Tutti son pien di spirti maladetti;
ma perché poi ti basti pur la vista,
intendi come e perché son costretti.

“Binnen de rotsmassa’s die ge daar ziet, mijn zoon, bevinden zich drie kleinere cirkels die, net als die welke ge nu verlaat, trapsgewijze naar beneden afdalen. Alle drie zitten ze vol zielen van verdoemden. En om ervoor te zorgen dat gij voortaal alleen al aan het zien genoeg hebt om te weten wat voor zonden het betreft, zal ik u uitleggen op welke wijze en om welke reden ze daar zijn opgehoopt.” (Vertaling: F. van Dooren)

Vervolgens gaat Vergilius uitgebreid in op de opbouw van de hel. Een plaatje zou hier meer zeggen dan 1000 woorden, en de vertaling van Frans van Dooren (p. 42) bevat een zeer verduidelijkend plaatje, maar dat kan ik hier niet zomaar overnemen zonder het copyright te schenden.

Het gedeelte van de hel dat ze nu gaan binnentreden is bestemd voor de echte boosdoeners, die geweld of bedrog hebben toegepast. En bij het hier volgende komt de Aristotelische neiging om alles strict in te delen. “Geweld kan men plegen tegenover God, tegenover zichzelf en tegenover zijn naaste, en dat geldt zowel de persoon als de bezittingen”. Een dubbele categorisering dus.

Kort samengevat ziet het er dus als volgt uit:
  • 1e kring (= dus 7e hellekring): geweldplegers
    • geweld tegenover zijn naaste
      • persoon: moordenaars
      • bezittingen: verwoesters, plunderaars
    • geweld tegenover zichzelf
      • persoon: zelfmoordenaars
      • bezittingen: dobbelaars, verbrassers
    • geweld tegenover God
      • direct: loochenaars, lasteraars
      • indirect: door tegen de natuur, die Hij heeft ingesteld, in te gaan – homoseksuelen (Sodoma) en woekeraars.
  • 2e kring (= dus 8e hellekring): bedriegers
    • tegenover personen die je niet in vertrouwen nemen: huichelaars, vleiers, tovenaars, vervalsers, dieven, simonisten
  • 3e kring (= dus 9e hellekring): bedriegers (ook wel: verraders)
    • tegenover personen die vertrouwen in je stellen
De laatste categorie beschaamt niet alleen de “natuurlijke liefdesband tussen de mensen” (amor che fa natura), maar ook de speciale vertrouwensrelatie tussen mensen. Dit mishaagt de goede God het allermeest en dus komen dit soort zondaars onderin de hel, in de kleinste kring, waar de opperduivel zijn zetel heeft. De laatste twee hellekringen zullen verderop in de Divina Commedia nader worden gespecificeerd (resp. 10 grachten en 4 zones). Het heelal, inclusief de Hel, is systematisch opgebouwd, volgens een eventueel te doorgronden schema, en God staat aan de basis hiervan (dit raakt aan Aristoteles’ pre-christelijke idee van de hoogste God als “onbewogen beweger”).

De zes eerste kringen zijn minder streng qua straf, de betreffende zonden (toorn, wellust, gulzigheid, gierigheid en verspillers) waren God minder onwelgevallig omdat ze slechts een vorm van onmatigheid (incontenenza) betroffen. De zondaars in de laatste drie geven zich over aan kwaadwilligheid (malizia) en blinde dierlijkheid (la matta bestialitade). Bij deze indeling verwijst Vergilius (nogmaals: symbool voor het menselijke verstand) naar de “drie gesteldheden” die Aristoteles in zijn Ethica beschrijft. Daarom bevinden zich de eerste soorten zondaars buiten de duivelse stad Dis, en de echte boosaardigen zich binnen de gloeiende stad. Daarom worden de laatsten zwaarder gefolterd dan de eersten.

Ondanks het wat theoretische karakter van Canto XI is het ook een van de meest boeiende gezangen. Behalve dat we als moderne lezers nader kennis maken met een middeleeuws wereldbeeld en de zucht tot catalogiseren, zijn er af en toe schitterende beeldspraak en staaltjes van antieke en middeleeuwse redeneringen te vinden:

e se tu ben la tua Fisica note,
tu troverai, non dopo molte carte,

che l'arte vostra quella, quanto pote,
segue, come 'l maestro fa 'l discente;
sì che vostr' arte a Dio quasi è nepote.


 “En als gij uw Physica [van Aristoteles dus] goed doorneemt, kunt gij al na een paar bladzijden lezen dat de menselijke activiteit zoveel zij kan de natuur navolgt, zoals een leerling zijn meester. Daaruit volgt dat de werkzaamheid der mensen om zo te zeggen het kleinkind van God kan worden genoemd.” (Vertaling: F. van Dooren)

Woekeraars gaan, door niet (zoals de rest van de mensen) de natuurlijke weg te volgen om in hun levensonderhoud te voorzien, tegen de natuur in en daarom kwetsen zij, via deze ingenieuze redenering Gods goedheid en horen ze dus in dit deel van de hel.

Het gesprek wordt beëindigd door de naderende zonsopgang, prachtig beschreven:

Ma seguimi oramai che 'l gir mi piace;
ché i Pesci guizzan su per l'orizzonta,
e 'l Carro tutto sovra 'l Coro giace,
e 'l balzo via là oltra si dismonta.

“Maar kom, ga nu met mij mee, want ik wil graag weer verder: de Vissen spartelen al aan de horizon en de Grote Beer staat al in het noordwesten. Een eindje verderop kunnen we langs de steile rotswand afdalen.” (Vertaling: F. van Dooren)

Letterlijk staat er Carro, door Christinus Kops vertaald als “Wagen”, wat op hetzelfde neerkomt. In het Italiaans allitereert dat lekker met Coro, synoniem voor maestrale, de aanduiding voor het Noord-Westen.

Dit soort poëtische passages blijven nog dagen in je hoofd rondmijmeren.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen