dinsdag 21 december 2010

100 dagen Dante (10): ketters en toekomstvoorspellers

In de tiende canto duiken nog veel meer figuren op uit Dante’s tijd en worden daarnaast allerlei klassieke motieven gebruikt. Het commentaar van specialisten is hier soms wel handig om de betekenis dieper te doorgronden, anders mis je als lezer wel het een en ander. Zo wordt Vergilius aangesproken met “o, hoogste deugd” (O virtù somma), wat we moeten begrijpen als teken dat we de figuur Vergilius ook allegorisch moeten duiden, namelijk als vertegenwoordiging van het menselijk verstand.

De stenen die de graven bedekken staan in deze zesde hellekring open. Vergilius verklaart dat ze zullen worden gesloten “wanneer de zielen uit het dal van Josafat hier terugkeren mét de lichamen die ze op aarde hebben achtergelaten” (Tutti saran serrati / quando di Iosafàt qui torneranno / coi corpi che là sù hanno lasciati). Ten eerste moet je hier de verwijzing naar een bijbelplaats kennen (het boek Joël, hoofdstuk 3, vers 2) en weten dat volgens de christelijke leer bij het Laatste Oordeel alle doden uit hun graven zullen herrijzen om samen met de levenden beoordeeld te worden op hoe ze hun leven geleefd hebben, de zielen zullen weer met het lichaam verenigd worden. Daarnaast moet je als lezer de verwijzing naar (de leer van) Epicurus begrijpen, die verkondigde dat de ziel tegelijk met het lichaam sterft en er dus helemaal geen hiernamaals is. Om die reden heeft Dante hem en zijn volgelingen in deze hellekring ondergebracht.

Plotseling worden ze aangesproken door een van de zielen die oprijst uit zijn graf:

«O Tosco che per la città del foco
vivo ten vai così parlando onesto,
piacciati di restare in questo loco.
La tua loquela ti fa manifesto
di quella nobil patrïa natio,
a la qual forse fui troppo molesto».

“O Toscaan, die levend door de stad der vlammen gaat en zulke achtenswaardige woorden spreekt, […] wees mij terwille en blijf even staan. Uw tongval maakt mij duidelijk dat gij geboortig zijt uit de roemvolle stad die ik tijdens mijn leven misschien wat te veel last bezorgde.”

Het blijkt Farinata degli Uberti te zijn en de roemvolle stad is Florence, waar in die jaren een heftige strijd gaande was tussen de Welfen en de Ghibellijnen, respectievelijk aanhangers en tegenstanders van het pauselijke wereldlijke gezag. Dante behoorde tot de Welfen, die overigens onderling ook weer verdeeld waren tussen de “witten” (waartoe Dante behoorde) en de “zwarten”. Farinata behoorde tot de Ghibellijnen, de aartsvijanden dus. Het is handig om te weten, en daar hebben we wederom de geleerde commentaren voor, dat de partijen beurtelings de leden van de andere partij uit de stad verdreven hebben, maar dat die na een tijd weer konden terugkeren.

Farinata vraagt Dante naar zijn voorouders en naar aanleiding van diens antwoord merkt hij op dat het zó felle tegenstanders (Fieramente furo avversi / a me e a miei primi e a mia parte), dat hij ze wel twee keer heeft verbannen. Dante antwoordt ironisch dat zíjn voorouders wel steeds wisten terug te keren, iets wat de familie van Farinata niet is gelukt. Ik heb het altijd opvallend en zelfs wat merkwaardig gevonden dat in een literair werk met zulke grootse vergezichten en ambities om ons universum (door de ogen van de middeleeuwer) vorm te geven, tegelijkertijd zo vol rancuneuze – soms ook vrolijke – toespelingen kan zitten op eigentijdse, soms kleinzielige conflicten. Het gekke is dat dit de “Goddelijke Komedie” alleen maar spannender maakt, al heb je er als moderne lezer wel wat toelichting bij nodig.

De tweede ziel die uit zijn graf omhoog komt is de vader van de redelijk bekende dichter Guido Cavalcantiinvloeden). Guido was een van Dante’s vrienden en zijn familie behoorde ook tot de Welfen. Van zowel vader als zoon werd wel beweerd dat ze atheïst waren, en dat is waarschijnlijk de reden dat we de vader hier in deze hellekring aantreffen. De vader vraagt Dante dan ook waar zijn zoon is en waarom deze niet meegekomen is. Dante antwoordt dat hij niet op eigen kracht hier is gekomen maar m.b.v. Vergilius (het verstand):

E io a lui: «Da me stesso non vegno:
colui ch'attende là, per qui mi mena
forse cui Guido vostro ebbe a disdegno».

Hij is mijn leidsman: misschien brengt hij mij langs deze weg wel naar háár [= Beatrice] tot wie uw zoon Guido in zijn trots niet wilde gaan.

Volgens het commentaar van vertaler Kops stond Cavalcanti erom bekend dat hij Epicurist was. En Beatrice staat weer symbool voor het geloof of de (christelijke) theologie. Zij is het ook die straks Dante van Vergilius zal overnemen als ze het paradijs betreden – zie ook hier de allegorie: met het verstand kun je heel ver komen, het is ook noodzakelijk, maar het allerhoogste bereik je alleen in het geloof. Door het zo te vermommen als allegorie heeft het niet het drammerige van veel latere christelijke literatuur.

Als vader Cavalcanti uit Dante’s woorden en aarzeling afleidt dat zijn zoon niet meer leeft, ploft hij weer terug in zijn graf. Op dat moment begint Farinata, zonder zich overigens te bewegen, weer zijn betoog af te steken. Hij voorspelt Dante’s eigen ballingschap – Dante werd in werkelijkheid inderdaad verbannen en mocht nooit meer terugkeren. Hij laat Farinata, in antwoord op Dante’s eigen ironische uitspraak, opmerken: “gij zult zelf ervaren hoe moeilijk die kunst [namelijk van het terugkeren] is” (tu saprai quanto quell' arte pesa).

Volgt nog een discussie over heden en toekomst. De levende mens kent alleen het eerste, de zielen in de hel alleen het tweede. Dante verzoekt Farinata aan Cavalcanti door te geven dat zijn zoon nog leeft.

Dante en Vergilius verlaten de muur en lopen richting de rand van een diep dal: “daaruit steeg een afschuwelijke stank op”.

1 opmerking:

  1. Best Danny,

    Ik ben Jennisa Peeters, ik woon in Horn, Limburg en ik zit op 5 gymnasium. Ik heb net Vergilius, in combinatie met La divina Commedia gekozen als onderwerp voor mijn werkstuk bij KCV(klassieke culturele vorming;onderdeel van Latijn) en ik wil graag een lijn trekken tussen de verschillende cirkels van Hel en de 7 hoofdzonden in La divina Commedia. Daarnaast wil ik de Aenies van Vergilius nog in mijn werkstuk betrekken. Ik vraag mij af of jij zou weten welke cirkel van hel welke hoofdzonde voorstelt? Ik heb al dat de 2e cirkel Luxuria, lust voorstelt; de 3e gula; de 4e avaritia, hebzucht en de 5e ira, woede. Ik weet niet of dit klopt... Heb jij toevallig de oplossing en nog eventuele verdere suggesties voor mijn werkstuk?

    groetjes Jennisa

    mocht je mij individueel willen benaderen is mijn email adres snitzel_1995@hotmail.com

    BeantwoordenVerwijderen