zondag 12 december 2010

100 dagen Dante (1): proemio

Het leven kent zijn megalomane momenten en het integraal lezen van Dante's Divina Commedia (De Goddelijke Komedie) in de oorspronkelijke taal behoort daartoe. Het lange middeleeuwse gedicht Divina Commedia bestaat uit in totaal 100 gezangen of canto's van elk ca. 140 dichtregels. Het lezen hiervan is een dermate intense ervaring dat ik het deze keer gedoseerder, systematischer en met meer diepgang zal doen: slechts 1 zang per dag en elke dag hiervan, op deze blog, verslag doen. Achtereenvolgens doorlopen we Inferno (de hel), Purgatorio (het vagevuur of de louteringsberg) en Paradiso (het paradijs): 3 x 33 canto's, of beter - naar het Italiaanse meervoud - canti, vooraf gegaan door een zogenaamd proemio (spreek uit: pro-eemio) of inleiding, die feitelijk uit zang I van de Hel bestaat. 100 dagen met Dante dus, ondergedompeld in zijn wereld van de Commedia.

Mijn kennis van het 13e-eeuwse Italiaans is niet zodanig dat ik dit zonder hulp vlekkeloos kan lezen. De editie die ik gebruik bevat, naast de toelichtende voetnoten onderaan de bladzijde, op de naastgelegen bladzijde een zogenaamde "parafrase" die de tekst op de voet volgt. Zeg maar een ondertiteling in modern Italiaans, al heel wat beter te lezen en bovendien in proza, wat het lezen eveneens vergemakkelijkt. Daarnaast heb ik er twee min of meer beroemde moderne Nederlandse vertalingen naast liggen: die van Christinus Kops, die nog steeds bij uitgeverij Pelckmans / De Wereldbibliotheek wordt heruitgegeven, en die van Frans van Dooren, in de jaren '80 in de wondermooie reeks Ambo-Klassiek uitgegeven.

Vandaag maken we kennis met Dante, die zich, "midden op het levenspad gekomen", bevindt in een donker woud. Elke keer weer bekruipt je als lezer het gevoel op een lange en avontuurlijke reis te gaan en tegelijkertijd thuis te komen als je die beroemde beginregels leest van de Divina Commedia:
Nel mezzo del cammin di nostra vita
mi ritrovai per una selva oscura
ché la diritta via era smarrita.
Steeds probeer ik me dat "selva oscura" (donkere woud) voor te stellen als een onmetelijk bos, zoals in Europa van die tijd nog wel bestond, waar je daadwerkelijk in kon verdwalen, en de angst die zo'n onbestemde uitgestrektheid kon veroorzaken bij mensen. Verderop meldt Dante dan ook dat het een bos is waaruit geen mens ooit levend was ontkomen (che non lasciò già mai persona viva). Hij verheugt zich dan ook de heuvel te zien waardoor hij dit woud kan ontvluchten, maar op zijn weg stuit hij beurtelings op een gevlekte panter, een leeuw (die in hem wel een lekker hapje lijkt te zien), maar vooral een vraatzuchtige wolvin. De vertaling van Kops is hier het meest beeldend:
En een wolvin, die zo was uitgemergeld,
of alle vraatzucht in haar was gevaren,
en die reeds velen 't leven bitter maakte,
benauwde mij met zulke zwarigheden
alleen door de angst, die reeds haar aanblik wekte,
dat ik de hoop verloor op 's heuvels hoogte.
Dit brengt me meteen op een verschil tussen de twee vertalingen. Van Dooren is moderner in zijn taalgebruik, duidelijker en in prozavorm, zodat hij alle ruimte heeft om de betekenis zo volledig en duidelijk mogelijk over te brengen. De vertaling van Kops is als het ware "poëtischer": de oorspronkelijke dichtvorm in terzinen is aangehouden, er is een redelijk strak metrum, waardoor het geheel een cadans krijgt, en in principe stemt elke regel (ook qua beknoptheid) overeen met het origineel, wat soms de begrijpelijkheid niet ten goede komt.

Geconfronteerd met de afschuwelijke versperring op zijn weg, ziet Dante zich voor een probleem gesteld:
tal mi fece la bestia sanza pace,
che, venendo mi incontro, a poco a poco
mi ripigneva là dove 'l sol tace.
Uit angst voor met name de wolvin (ik laat alle symbolische en historische interpretaties van die wolvin maar even achterwege) treedt de dichter iets terug en dreigt weer het donkere woud in te moeten gaan, daar waar de zon niet komt. Waar de zon zwijgt (tace), zo zegt Dante letterlijk. Kops: "naar waar de zon in zwijgen ligt gedompeld". Van Dooren: "naar de plaats waar de zon afwezig is".

Dan verschijnt er een schim, geen mens meer maar wel ooit geweest, die vertelt uit Mantova afkomstig te zijn en geleefd te hebben onder Julius Caesar en keizer Augustus. Dante kent zijn klassiekers en beseft vrijwel direct dat dit de schim van Vergilius is, de beroemde dichter van het nationale Italiaanse epos Aeneïs. Deze is bereid op te treden als zijn gids gedurende de tocht door Hel en Vagevuur, wat Dante met graagte aanneemt, aangezien Vergilius, "die bron waaraan zo'n rijke woordenstroom ontspringt", zijn grote voorbeeld is.
Tu se' lo mio maestro e 'l mio autore;
Tu se' solo colui da cu' io tolsi
lo bello stilo che m'ha fatto onore.

Gij zijt mijn meester en bezielend voorbeeld.
Gij zijt 't het alleen, van wie ik heb gekregen
de schone stijl, die mij tot aanzien voerde.
Dit behoort overigens tot de zeer leesbare stukken van Canto I. Opvallend is het gebruik van een expliciet persoonlijk voornaamwoord (tu - jij, io - ik), maar dat heeft ook te maken met de nadruk die met name tu krijgt, door Kops zo ouderwets gepast nog met "gij" vertaald. Het bepalend lidwoord "lo" wordt nog meer gebruikt dan in moderner Italiaans, vanwege het ritme zijn met name i-klanken aan het eind van een woord weggevallen: se' ipv sei, da cu' ipv da cui. De stilo verwijst naar de nieuwe stijl die Dante en enkele tijdgenoten voorstonden (t.o.v. de bestaande taal en literaire stijlen), bekend geworden onder de naam "il dolce stil novo", gebaseerd op de adeldom van de Klassieken.

Na het uitwisselen van wat beleefdheden vertelt Vergilius ons wat de lezer te wachten staat en wordt een vooruitblik geboden op de tocht en dus de indeling van dit epische gedicht. Als ongelovige (of beter: die als Romein God niet heeft gekend) mag Vergilius het Paradijs niet in. Daar zal iemand anders het stokje overnemen, "een ziel [...] die voor die taak waardiger is dan ik", vooruitwijzing naar de ideale vrouw Beatrice, genoemd naar Dante's grote jeugdliefde.

Wat enigszins bevreemdend is, dat de vertaling van Van Dooren spreekt over "koning" als verwijzing naar God, terwijl Kops dichter bij het origineel ("imperador", imperator) blijft met "keizer". Ook gezien de politieke situatie uit die tijd, met de strijd tussen de aanhangers van de paus tegenover die van de keizer, die elkaar zowel de geestelijke als wereldlijke macht betwisten.

Zoals wel vaker is de slotregel van de zang een mooie afsluiter: "Toen ging hij voor en ik trad in zijn schreden". Deze regel krijgt des te meer gewicht door de dubbele betekenis: in het verhaal zal Dante letterlijk Vergilius volgen, maar hij probeert ook figuurlijk in de voetsporen te treden van de beroemde dichterlijke voorganger in de Oudheid en een groots episch werk scheppen, dat met deze eerste zang een aanvang neemt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen