maandag 21 februari 2011

vrijdag 18 februari 2011

100 dagen Dante (41): Zielen zonder vaste verblijfplaats

Dante en Vergilius bevinden zich nog steeds bij Sordello. Tijdens Dante's tirade hebben ze zich nog niet nader aan elkaar voorgesteld, door hun taal weten ze alleen dat ze stadgenoten uit Padua zijn. Als blijkt dat het Vergilius is, wordt Sordello van bewondering nederig en omvat hij Vergilius om de knieën - daarmee verwijzend naar een gebruik in de Oudheid, waarmee degene zijn onderdanigheid aangeeft. Sordello steekt uitgebreid de loftrompet ("O roem van de Latijnen...") over de verdiensten van Vergilius voor de taal en dichtkunst van Italië.

Vergilius legt vervolgens uit hoe ze hier bij de Louteringsberg zijn aangekomen, en ook waarom hij zelf in de limbus van de hel geplaatst is: niet door iets te doen, maar door iets niet te doen, namelijk niet het juiste geloof te hebben. Vergilius overleed namelijk vóór de komst van Christus en kon dus per definitie geen christen zijn. Gelukkig worden - zo wordt nog maar eens expliciet uitgelegd - de zielen aldaar niet gepijnigd, behalve dan dat ze eeuwig in duisternis leven en nooit Gods heerlijkheid zullen aanschouwen.
Daar toef ik bij de schuldeloze kleinen,
al door de tanden van de dood gebeten
eer Adams vloek van hen werd weggenomen.
Met Adams vloek wordt verwezen naar de erfzonde die elke mens sinds het zondige eten van de appel door Adam en Eva. Vergilius heeft geen kennis kunnen / mogen maken met de drie hogere deugde: geloof, hoop en liefde.

Sordello zegt toe dat hij Dante en Vergilius zover mogelijk zal begeleiden naar de eigenlijke ingang van de Louteringsberg. Hij mag immers, als alle zielen in deze afdeling, zich vrijelijk bewegen
Omdat de duisternis invalt, kunnen de reizigers op dit moment niet verder de Louteringsberg beklimmen. Sordello neemt hen mee naar een dal waarin de zielen van nalatige vorsten zich bevinden: zij zijn wat aan de late kant tot inkeer gekomen. Vriend en vijand zit daar min harmonieus bij elkaar, het Salve Regina zingend. Onder hen bevinden zich vorsten als keizer Rudolf (die nog de situatie in Italië had kunnen redden maar dat heeft nagelaten), koning Ottokar II van Bohemen, Philips III van Frankrijk (1270-1285), Philips IV "de Schone" (1285-1314). De laatste zou naar de zin van Dante te zeer op de hand van de pausen zijn. Het aardige is ook weer hier dat Dante zelf in zijn tekst vooral omschrijvingen geeft: van fysieke kenmerken ("mopsneus", "arendsneus") tot wat ze ten goede dan wel ten kwade tijdens hun leven gedaan of nagelaten hebben. Daarmee wordt het een aardige puzzel, die zonder ondersteuning van een deskundig commentaar (of uitvoerige kennis van de middeleeuwse dynastieke geschiedenis in Europa) niet meer helemaal te begrijpen is.

Veel makkelijker te genieten is de omschrijving van het dal waarin men zich bevindt:


Oro e argento fine, cocco e biacca,
indaco, legno lucido e sereno,
fresco smeraldo in l'ora che si fiacca,
da l'erba e da li fior, dentr' a quel seno
posti, ciascun saria di color vinto,
come dal suo maggiore è vinto il meno.
Non avea pur natura ivi dipinto,
ma di soavità di mille odori
vi facea uno incognito e indistinto.
(Purgatorio VII, 73-81)


Het zuiverste goud en zilver, karmijn en loodwit, Indisch hout en hemels azuur, pas gedolven smaragd op het moment dat het wordt gekloven, al deze dingen zouden in kleurenpracht worden overtroffen door het gras en de bloemen die zich daar in die kleine vallei bevonden, zoals het mindere nu eenmaal moet onderdoen voor het meerdere. En niet alleen had de natuur daar haar kleurenpracht tentoongespreid, maar ook mengde zij er duizend bloemengeuren dooreen tot één welriekend geheel, waarin de afzonderlijke elementen niet meer van elkaar te onderscheiden waren.
(Vertaling: Frans van Dooren)

De uitgebreidheid van de vertaling, die overigens geheel correct is en zeker verhelderend, toont maar weer tegelijk hoe kernachtig de verzen en taal van Dante zijn!

zondag 13 februari 2011

100 dagen Dante (40): De tuin van het keizerrijk is een wildernis geworden


Met enige moeite weten Dante en Vergilius zich los te maken van de menigte zielen. Het zijn zielen van mensen die op gewelddadige manier dood zijn gegaan, maar wel op het laatste moment berouw hadden. Elk probeert voor zich gebeden af te smeken. Bijna vanzelfsprekend zijn het vooral eigentijdse Italianen uit eind 13e / begin 14e eeuw. Met grote bewondering spreekt Dante ook over Marzucco, van wie de zoon zich hier bevindt: hij vergaf moordenaar van zijn zoon en stelde daarmee een sterk voorbeeld van vergevingsgezindheid, iets wat Italië meer zou kunnen gebruiken – niet voor niets volgt verderop in canto vi een tirade tegen het verdeelde Italië.

Aan de menigte ontkomen stelt Dante aan Vergilius (“O licht van mijn geest” – o luce mia) de vraag hoe een passage uit diens eigen werk, waarin letterlijk gezegd wordt dat door gebeden de besluiten van goden niet veranderd worden, zich verhoudt tot de hoop van deze zielen op verkorting van hun tijdelijke verblijf in het vagevuur. Dante probeert hiermee in feite zijn bewondering voor de heidense klassieken (i.c. Vergilius) te verzoenen met het christendom – een typisch kenmerk van de eerste humanisten (enkele decennia later) aan het begin van de Renaissance. Vergilius antwoordt met een wat omslachtig antwoord, namelijk dat beide waar zijn, dat de gloed van de liefde (van waaruit het gebed komt) de opperste gerechtigheid niet kleiner maakt.

De passage uit de Aeneïs, waarnaar Dante verwees, moet hij zien als in een heidense context: de gebeden konden toen nog niet naar God opstijgen. En verder moet hij zich niet te lang met dit diepzinnige vraagstuk bezighouden, straks als hij bovenop de Louteringsberg het licht van Beatrice zal aanschouwen, dan zal vanzelf alles duidelijk worden. Met andere woorden: het verstand kan daar niet bij, bij dit soort ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, daarvoor is het licht van het geloof nodig. Voor ons klinkt dat een beetje als een dooddoener, waarmee we moeilijk genoegen kunnen nemen. Misschien gold dat ook wel voor middeleeuwers, aangezien Dante de behoefte heeft dit expliciet uit te leggen en mogelijk ook wel inziet dat dit op het oog onlogisch klinkt.

Als ze verder trekken, stuiten Dante en Vergilius op de troubadour Sordello, net als Vergilius afkomstig uit Mantua. Een trotse ziel, die blij verrukt is als blijkt dat hij met een stadgenoot van doen heeft. Ze omhelzen elkaar, wat Dante opvalt (als uitzondering), waarna hij een lange tirade houdt over de onenigheid in Italië (“herberg van ellende, schip zonder stuurman ten prooi aan woeste stormen” – di dolore ostello, / nave sanza nocchiere in gran tempesta) tussen de steden, maar ook binnen de steden. In plaats van – zoals destijds tijdens het Romeinse Rijk – meesteres over de volkeren te zijn, is ze een schaamteloze hoer (bordello). 
De burgers zijn voortdurend met elkaar in oorlog, de poging van keizer Justinianus uit de 6e eeuw om recht en orde te brengen, met de beroemde codificatie van het recht, is voor niets geweest. Ook verwijt hij de Duitse keizer van het Heilige Roomse Rijk, Albert, dat hij zich teveel met de Duitse gebieden bemoeid heeft (uit hebzucht, zegt Dante), waardoor “de tuin van het keizerrijk [Dante bedoelt Italië] een wildernis is geworden” – che 'l giardin de lo 'mpero sia diserto. En het ergst van al is wel Florence, dat door Dante vol ironie over de hekel wordt gehaald: zo rijk en verstandig, waar elders burgers zich drukken voor bestuursverantwoordelijkheid, staat in deze stad iedereen vooraan, nog knapper dan het antieke Athene en Sparta is Florence in staat gebleken in korte tijd wetten af te schaffen die het een maand eerder heeft ingesteld. Bevolkingsgroepen uit de andere politieke facties worden beurtelings verbannen en weer binnengehaald.

donderdag 10 februari 2011

100 dagen Dante (39): Als allerlaatste zucht de naam Maria


De zielen van de nalatigen uit canto iv, die Dante en Vergilius met het verdertrekken achter zich laten, wijzen hen na en eentje schreeuwt over het feit dat Dante’s lichaam schaduw produceert. Dit leidt Dante af en hij blijft even staan, wat hem op een morele tirade komt te staan van Vergilius:

che ti fa ciò che quivi si pispiglia?
Vien dietro a me, e lascia dir le genti:
sta come torre ferma, che non crolla
già mai la cima per soffiar di venti;
ché sempre l'omo in cui pensier rampolla
sovra pensier, da sé dilunga il segno,
perché la foga l'un de l'altro insolla».
(Purgatorio v, 11-18)

Wat deert het u, dat zij daarginds wat fluistren?
Treed in mijn spoor en laat de schimmen praten.
Sta vast zoals een toren staat, wiens spitse
niet beeft en trilt bij storm en onweersvlagen.
Steeds verder dwaalt de mens van zijn bedoeling,
als maar gedachten kiemen uit gedachten,
zodat ze elkanders kracht en vuur verstikken.
(Vertaling: Christinus Kops)

Wat anders kan hij dan zijn weg vervolgen, met het schaamrood op de kaken, de kleur “waardoor wij soms vergeving waardig worden”? Vergeving is een belangrijk woord in het rooms-katholieke geloof en ook in deze canto. De zielen die we ontmoeten (wederom nalatigen), hebben allemaal gezondigd in hun leven, zijn eigenlijk te laat met zich te richten tot God, maar desalniettemin kunnen ze hun schuld uitboeten, zodat hun vergeving deelachtig wordt. Een proces dat nog versneld kan worden, zoals we al zagen, door de gebeden van levenden voor hen. Ook de zielen die Dante en Vergilius hier ontmoeten, vragen hen om alsjeblieft hun nabestaanden over hun staat in te lichten zodat ze hen zullen gedenken.

Ook deze zielen, die het Miserere (psalm 50) aan het zingen waren, zijn hoogst verbaasd Dante’s schaduw te kunnen waarnemen, waardoor ze eerst aarzelen een tweetal vooruitstuurt om poolshoogte te nemen en vervolgens en masse zich storten op het reizende duo. Dante kent uit deze schare niemand persoonlijk, maar belooft hun wensen – voor zover mogelijk – te vervullen.

We ontmoeten Jacopo del Cassero, geboren in Fano: “tussen Karels rijk en Romagna”, oftewel tussen de grote streek Emilia Romagna en Zuid-Italië waar Karel van Anjou koning was. Als burgemeester van Bologna spande hij zich in voor de onafhankelijkheid van deze stad tegen de aanvallen van Azzo iii van Ferrara (uit de familie Esti). Deze Azzo vermoordt, zodra hij de kans krijgt, tijdens een achtervolging deze Jacopo.

Een tweede ziel die ze spreken, is Buonconte da Montefeltro, zoon van de graaf Guido da Montefeltro (een beroemd en edel geslacht uit Urbino). Hij klaagt erover door iedereen te zijn vergeten, inclusief zijn vrouw. Nadat hij was vermoord, is zijn lichaam nooit teruggevonden. Hij vertelt zelf dat dit komt doordat hij pas op het allerlaatste berouw kreeg en in zijn allerlaatste zucht Maria aanriep, hét katholieke symbool van de genade en vergeving, waardoor zijn ziel gered werd. Een engel en duivel twisten hierover, waarop de engel de ziel meekrijgt en de duivel het lichaam. Door mist en wolkbreuk te veroorzaken forceert de duivel een waterstroom die het lichaam van deze Montefeltro meevoert naar de monding van de Arno (de rivier die door Florence loopt, Dante noemt hem “koning onzer stromen” - lo fiume real).

Aardig is nog dat een theorie van Aristoteles voorbijkomt, waaruit diens invloed nog maar eens blijkt:

Ge weet hoe waterdamp zich in de lucht samenpakt om vervolgens, opgestegen tot een hoogte waar de kou er vat op krijgt, weer in neerslag te veranderen.
(Vertaling: Frans van Dooren)

Als laatste spreekt een zekere Pia Dante toe, een vrouw uit Siena die door haar echtgenoot, op beschuldiging van overspel, vermoord zou zijn. Denk ook aan mij, is haar smekende boodschap. Met andere woorden: zorg dat er ook voor mij wordt gebeden daar op aarde.

maandag 7 februari 2011

100 dagen Dante (38): Een bootje stroomafwaarts drijven

Nog onder de indruk van wat aan het einde van de vorige zang de ziel van Manfred vertelde over het verblijf op de louteringsberg en de kracht van het gebed, filosofeert Dante aan het begin van canto iv nog wat verder over het feit dat een ziel tijdelijk zó in beslag kan worden genomen door één specifieke kracht/vermogen (potenza) in zich, dat alle andere vermogens even op de achtergrond worden gedrongen. Hij weerspreekt daarmee de – door anderen gehuldigde – idee dat er meerdere zielen ins zouden huizen. Ook hier schuilt weer een stuk klassieke en middeleeuwse filosofie achter. De Italiaanse commentaren wijzen op de leer van één ziel die drie “faculteiten” of “vermogens” zou bezitten: vegetatieve, emotionele en intellectuele.

Maar goed, daardoor vliegt de tijd, ze zon is alweer 50 graden gestegen, er zijn dus ruim drie uren verstreken (1 uur = 15 graden). Dante en Vergilius horen schimmen roepen, als uit één mond: “Hier is het wat gij vraagt”. Dit leidt hen door een smalle opening over een steil pad, waar ze hadden en voeten, en verstand (!), moeten gebruiken om te kunnen klimmen. Beroemde voorbeelden van smalle steile paadjes worden genoemd, zoals dat om San Leo te bereiken, vlakbij Urbino en Rimini. Boven aangekomen op een steil oplopend plateau, van wel 45º, trekt Dante het niet helemaal meer en vraagt hij Vergilius om even te wachten. Maar onder aansporing van deze bereiken ze eindelijk een rand of richel van een omgang, waar ze even uitrusten.

Tot zijn verbazing ziet Dante, met zijn gezicht naar het oosten, de zon aan zijn linkerhand. Dat heeft te maken met het feit dat ze zich op het zuidelijk halfrond bevinden (“recht tegenover Jeruzalem”). Vergilius, het verstand, licht weer toe. Ook wordt nog naar Phaëton verwezen, die met de zonnewagen van zijn vader uit de baan schoot (waardoor de Afrika en zijn inwoners geblakerd werden – waardoor ze zwart zijn).

De nog te beklimmen berg is zo geschapen,

            dat we aan zijn voet het klimmen moeilijk achten,
            doch minder zwaar wanneer we hoger komen.
            Zohaast hij u dus lieflijker gaat schijnen
            en ’t klimmen voor uw voet zo licht zal wezen
            als ’t voor een bootje is om stroomaf te drijven,
            dan zijt ge ’t einde van uw weg genaderd,
            waar zoete rust uw wacht na ’t moeizaam zwoegen.
            (Vertaling: Christinus Kops)

Mooi beeld voor wat volgens enkele commentatoren door moet gaan als de allegorische aanduiding van de bekering, die in het begin het zwaarste is maar uiteindelijk een soort rusten is in zaligheid: als een bootje dat stroomafwaarts glijdt. De boodschap is dat iedereen daar deel van kan zijn.

De zielen die we hier tegenkomen zijn de “nalatigen” of “tragen”. Zij zijn eigenlijk te laat (vlak voor hun dood) tot bekering gekomen. Lekker makkelijk, zou je tegenwoordig zeggen. Maar ze komen er ook niet zomaar langs: Gods engel houdt ze aan de poort (van het eigenlijke vagevuur) zolang tegen als dat hun leven geduurd heeft.

Tot grote vreugde ontmoet Dante hier een bekende, de musicus en instrumentenbouwer Belacqua (letterlijk: “schoon, mooi water”). De dialoog tussen hen is wel redelijk komisch, want Dante herinnert zich diens fameuze luiheid: “Of heeft weer de oude kwaal uw ziel vermeesterd?” (o pur lo modo usato t'ha' ripriso?). Vergilius maant Dante om verder te gaan, het wordt immers laat zo.

Aardig is de toch mensvriendelijke gedachte achter de ideeën in deze canto. Ten eerste is er altijd hoop op redding, als je je maar bekeert. Ten tweede, mocht je je aan de late kant bekeren, dan is dat geen ramp, maar heb je wel nog wat uit te boeten, en daar bestaat als het ware een berekening of algoritme voor. Ten derde kun je (eerder) uit dit algoritme ontsnappen door gebeden die anderen op aarde voor je doen. Er zit systeem in dit geloof! Als westerse 21e-eeuwer is dat soms moeilijk te bevatten, maar verplaats je eens hierin, in deze wereld van ideeën waarvan destijds nog zo goed als niemand de fundamenten betwistte. Het heeft tegelijkertijd iets vertrouwds als duizelingwekkends. De ijskoude predestinatieleer, die het latere calvinisme kenmerkte, moest nog uitgevonden worden. Iedereen heeft een plaats onder de zon, als hij wil.

woensdag 2 februari 2011

100 dagen Dante (37): De beperkingen van het verstand

De eerste regels van Canto iii bieden al een interpretatieprobleem. Dante beschrijft hoe de zojuist uiteen gestoven zielen toch als vanzelf zich naar de berg begeven, geleid door het verstand (Kops) dan wel de goddelijke rechtvaardigheid (Van Dooren). In het Italiaans staat er ragion (tegenwoordig: ragione), letterlijk “rede, verstand”. Waarom kiest Van Dooren voor “Gods gerechtigheid”? Hij ondersteunt dit niet in een aantekening, dus zoeken we in de Italiaanse commentaren. Fallani/Zennaro zowel als Carlo Dragone vertalen ragion expliciet met la giustizia divina (de goddelijke gerechtigheid), de laatste licht dit toe in een voetnoot aan de hand van een voorbeeld: “Palazzo della Ragione” was het gebouw waar men recht haalde. (Hai ragione = je hebt gelijk, je hebt het bij het rechte end, in het Duits: du hast Recht). Hangt etymologisch dus mogelijk allemaal samen – maar ik ben geen deskundige op dat gebied.

Deze zang biedt overigens nog meer uitdagingen, de informatiedichtheid – met name met betrekking tot het middeleeuwse, Rooms-Katholieke wereldbeeld en de bijbehorende leer – is groot. Zo wordt ingegaan op het verschijnsel “onstoffelijk lichaam”: hier wordt ook ingegaan op het fenomeen dat de zielen geen schaduw hebben (omdat ze slechts geest zijn) maar wel kou, hitte en pijn kunnen voelen (wat zouden anders die folteringen in de hel voor zin hebben). Het antwoord is toch een beetje van het kluitje in het riet: “almacht Gods, die niet wil dat ons ontsluierd wordt hoe zij te werk gaat”.

Dwaas is hij die hoopt dat ons menselijk verstand (ragione!) de eindeloze weg kan doorlopen die wordt afgelegd door één wezen in drie personen (una sustanza in tre persone). O menselijke geslacht, wees toch tevreden met het dát (quia) en vraag niet het waarom! Want als uw geest alles had kunnen doorzien, had Maria Jezus niet ter wereld hoeven te brengen.
(Vertaling: Van Dooren)

Met andere woorden: de goddelijke openbaring via onder meer de geboorte van Christus zou dan overbodig zijn geweest als het menselijk verstand alles al had kunnen doorgronden. In één adem door wordt het mysterie van de heilige Drie-eenheid (één substantie maar drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Het quia is een term uit de middeleeuwse filosofie (die aan de universiteiten een rijke traditie kende en in de 11e-13e eeuw enorm in opbloei was). De middeleeuwse scholastiek onderscheidde de demonstratio quia (de bewijsvoering van het feit, dat…) en de demonstratio propter quid (het hoe en waarom). In dit geval. Van Dooren in voegt zijn vertaling het “vraag niet naar het waarom” ter verduidelijking toe (staat niet letterlijk in het origineel). Kops doet dat niet, maar vertaalt ook niet quia door “dát”, zodat je als lezer ziet waar het vandaan komt, en hij licht het vervolgens toe in de voetnoot.

Deze opmerkingen, die door Vergilius worden gemaakt, gaan ook nader in op de kwestie met de heidense filosofen: omdat zij de goddelijke openbaring niet kenden, erkenden of herkenden, bleven zij doorvragen en werd hun honger nooit gestild. In de opvatting van Dante zitten Plato en Aristoteles (het zal geen toeval zijn dat hij deze twee peilers van het middeleeuwse denken noemt) in het voorgeborchte van de hel en bestaat hun straf er dus feitelijk (slechts) uit dat zij voor eeuwig met deze niet te stillen honger naar kennis gekweld worden. Eigenlijk wel een mooie metafoor voor de opvatting dat je in je leven niet zou moeten blijven zoeken, maar je eenvoudigweg over te geven aan de goddelijke openbaring, los van wat je van die opvatting vindt.

Ook komen we nog ergens tegen de theorie dat de hemelsfeer uit 9 doorschijnende lagen bestaat, en net zoals die lagen het licht doorlaten en dus geen schaduw werpen, zo doen ook de zielen van gestorvenen dat niet.

Opvallend is dat Vergilius, die nogmaals nadrukkelijk als personificatie van het verstand wordt beschreven, het op een gegeven moment even niet meer weet. Ten eerste is hij aan het begin van canto iii vol zelfverwijt dat hij ook naar de heerlijke muziek was blijven luisteren, met andere woorden: het verstand verloor even zichzelf. Het is datzelfde verstand, diezelfde Vergilius die vervolgens Dante maant om vertrouwen te houden op zijn leiding en op de goddelijke voorzienigheid. Waarna vervolgens het hierboven genoemde pleidooi voor de betrekkelijkheid van het verstand wordt benadrukt. Als ze, tot slot, onderaan de rotsen staan, nog steiler dan die tussen Lerici en La Turbie (grofweg tussen Nice en Genua), die onbeklimbaar lijken, dan blijft Vergilius een tijd nadenken terwijl hij naar de grond staart – maar dit lijkt niets op te leveren. Dante kijkt echter rond en ontdekt zo een schare schimmen die hen mogelijk zou kunnen helpen. Hij gebruikt dus gewoon zijn ogen, wat onwennig vanuit middeleeuws wetenschappelijk perspectief. Moeten we hier een eerste aanzet tot empirisme (“kijk om je heen”) in lezen, omdat het rationalisme (“redeneer logisch, gebruik het verstand”) tekortschiet? Met de kennis van de latere ontwikkelingen in filosofie en wetenschap ben je geneigd dit met terugwerkende kracht hierin te projecteren, maar dat is waarschijnlijk toch al te anachronistisch.

Een van de schimmen die ze ontmoeten, blijkt koning Manfred van Napels en Sicilië, zoon van keizer Frederik ii. Naar eigen zeggen heeft hij in zijn leven genoeg zonden begaan, maar toen hij gewond raakte in de strijd en stervende was, bekeerde hij zich, waardoor zijn ziel gered werd en na uitboeting op de Louteringsberg uiteindelijk naar het paradijs mag, weer een mooi staaltje van aanschouwelijk maken van de katholieke leer:

Poscia ch'io ebbi rotta la persona
di due punte mortali, io mi rendei,
piangendo, a quei che volontier perdona.
Orribil furon li peccati miei;
ma la bontà infinita ha sì gran braccia,
che prende ciò che si rivolge a lei.
(Purgatorio iii, 118-123)

Toen ik geveld lag door twee felle slagen,
en sterven ging, gaf ik me in tranen over
aan Hem, die alle schuld liefst wil vergeven.
Mijn zonden waren groot en afschuwwekkend,
maar groter toch zijn de armen van Gods liefde,
daar ze allen die haar zoeken houdt omstrengeld
(Vertaling: Christinus Kops)

Manfred was namelijk op het moment van sterven geëxcommuniceerd, waardoor je doorgaans als ziel dan als verloren beschouwd kan worden, maar er restte altijd een sprankje hoop: de eeuwige liefde laat zich niet zomaar uitschakelen, dus je kon altijd nog tot inkeer komen. Dat is ook de toegevoegde waarde van de louteringsberg ten opzichte van de extremen hel en hemel.

Als je echter aldus sterft, buiten “de gemeenschap van de Kerk”, dan moet je ziel wachten onderaan de rots, en dat duurt 30 keer zo lang als dat je zondige periode heeft geduurd. Alleen door gebeden van levenden kan deze periode verkort worden. En dat laatste is een heel bekende traditie binnen de katholieke kerk. Het is echter ook het principe dat heeft gezorgd voor de praktijken rond de “aflaten” en de handel daarin: je kon als het ware korting kopen op de duur van het verblijf van dierbaren in dit toch zware vagevuur. Daarom besluit Manfred de zang ook met het verzoek om de nabestaanden nog maar eens aan hem te herinneren als Dante weer op aarde mocht terugkeren: “Want de mensen op aarde kunnen ons door hun stem hier erg vooruithelpen.”


maandag 31 januari 2011

100 dagen Dante (36): Wiens hart reeds gaat, al dralen nog zijn voeten


Dante en Vergilius bevinden zich nog steeds op het strand aan de zee van het zuidelijk halfrond. Een wondermooie zonsopgang is begonnen, waarvoor Dante het klassieke beeld gebruikt van de godin van de dageraad, Aurora (bij de Grieken: Eos), de rose-kleurige horizon.

Noi eravam lunghesso mare ancora,
come gente che pensa a suo cammino,
che va col cuore e col corpo dimora.
(Purgatorio II, 10-12)
En steeds nog toefden wij nabij de golven
en droomden als de man die wil gaan reizen,
wiens hart reeds gaat, al dralen nog zijn voeten.
(Vertaling: Christinus Kops)


In de verte verschijnt plots iets van over zee dat snel dichterbij komt en blinkend wit is, “een licht, dat langs de golven vloog zo haastig / dat vogels zelfs zijn vlucht niet evenaren”. Het blijkt een wonderschone engel te zijn met zielen die vanaf de Tiber-monding (bij Rome – dat als centrum van de wereld werd beschouwd) naar dit strand bij de Louteringsberg worden vervoerd.

Als de engel heel dichtbij komt kan Dante het felle licht dat van hem afstraalt niet meer verdragen en moet hij zijn ogen neerslaan. De zielen stappen uit het bootje, en terwijl zij een psalm zingen, verdwijnt de bode even snel als dat hij kwam. Ook de nieuw aangekomenen voelen zich vreemd op deze nieuwe plek en vragen Dante en Vergius om de weg. Ze schrikken ook van het feit dat Dante een levende is (hij ademt nog), maar uit nieuwsgierigheid verdringen ze zich om hem.

Een van de zielen omhelst hem, zijn enthousiasme is aanstekelijk, dus Dante omhelst terug, maar omhelst feitelijk lucht, want het is maar een schim. Het is opmerkelijk dat dat hier zo benadrukt wordt, want we hebben net een helletocht achter de rug met zeer fysiek aandoende straffen, alsof het om lichamen ging die gestraft werden. Er zit eigenlijk iets tegenstrijdigs in wat Dante ons schetst. De enthousiaste omhelzer blijkt niemand minder dan een zekere Casella, musicus en vriend van Dante, die – zo blijkt uit Dante’s opmerkingen – blijkbaar al een tijdje dood is. Waarom arriveert hij nu pas bij de Louteringsberg? Casella laat doorschemeren dat dat terecht was, maar we krijgen niets van zijn zonden hier te horen. Eigenlijk is hij er nog tussendoor geglipt vanwege het door de paus in 1299 afgekondigde jubeljaar 1300, waardoor extra aflaten geldig gemaakt konden worden en zielen van dierbaren sneller konden doorstromen naar louteringsberg en dus uiteindelijk het paradijs.

Op verzoek zingt Casella een lied, en de beginregel duidt erop dat het naar een gedicht van Dante is, die zich mogelijk zelf graag vleide hiermee.

[…] en ’t klonk zo zacht en teder,
dat die lieftalligheid nog in mij doorklinkt.
Mijn meester en ik zelf en ook de schimmen,
ze schenen zo verrukt en zo betoverd,
of aller hart om niets zich meer bekreunde.
(Vertaling: Christinus Kops)

Ik heb het zo snel niet in de commentaren kunnen vinden, maar een muzikant die iedereen met zijn muziek betovert roept onherroepelijk associaties op met Orpheus, de tragische figuur uit de klassieke mythologie.

Natuurlijk duren pleziertjes maar even, en de oude grijsaard uit de vorige zang, Cato van Utica, komt vanuit het niets opdagen als party pooper. Hij maant de zielen dat ze de louteringsberg nu echt moeten gaan beklimmen, stelletje “trage geesten” (spiriti lenti).

qual negligenza, quale stare è questo?
Correte al monte a spogliarvi lo scoglio
ch'esser non lascia a voi Dio manifesto
            (Purgatorio II, 121-123)

            Wat voor nalatigheid is dit? Wat staat gij?
            Rent naar de berg en rukt de blinddoek neder,
            die u weerhoudt Gods aangezicht te aanschouwen.
(Vertaling: Christinus Kops)

De luisterende schare vlucht uiteen, inclusief Dante en Vergilius.